In het kader van kinder- en jeugdrechten is de huidige staat van veel scholen in
Suriname ronduit alarmerend. Terwijl de overheid overweegt om schooltijden te
verlengen, kampen scholen op structurele wijze met tekortkomingen die het
recht op goed en veilig onderwijs ondermijnen. Het leerproces, de leeromgeving
én de basisvoorzieningen schieten ernstig tekort.
Suriname is partij bij het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind
(IVRK). Artikel 28 erkent het recht van elk kind op onderwijs, terwijl artikel 3 stelt
dat bij alle maatregelen het belang van het kind voorop moet staan. Onderwijs is
echter meer dan aanwezigheid in een klaslokaal. Artikel 24 benadrukt het recht
van het kind op de hoogst haalbare standaard van gezondheid, waaronder
toegang tot schoon water en sanitaire voorzieningen. Juist op deze punten falen
veel scholen. Het ontbreken van goed werkende toiletten, schoon drinkwater en
basale hygiënische omstandigheden is een structureel probleem. Leerlingen
moeten hun lessen volgen in vieze lokalen, zonder voldoende
schoonmaakpersoneel, met kapot meubilair en verouderd of slecht gedrukt
lesmateriaal. Een zindelijke, veilige en stimulerende omgeving is essentieel voor
de cognitieve, sociale en emotionele ontwikkeling van het kind. Zonder die basis is
leren een opgave in plaats van een recht.
Daarnaast worden scholen regelmatig getroffen door diefstal en vandalisme
vanwege het ontbreken van bewaking. Nieuw geschonken computers en
elektrische installaties verdwijnen, met als gevolg dat scholen, zoals recent bij
HAVO 1, zonder elektriciteit komen te zitten. Onderwijs in halfduistere lokalen is
niet alleen onacceptabel, maar ook in strijd met minimale onderwijsnormen.
Ook de fysieke schoolomgeving verdient aandacht. Veel basisscholen zijn
uitgesproken kind-onvriendelijk. Kale schoolpleinen zonder beplanting of
schaduw, terwijl leerlingen tijdens pauzes niet in de klas of op de gangen mogen
blijven. Dit staat haaks op het recht van het kind op spel, rust en een gezonde
leefomgeving.
De onderwijswetgeving en het toezicht door het ministerie verplichten de
overheid om te zorgen voor kwaliteit, veiligheid en continuïteit. Het is daarom
onvoldoende om te focussen op het symbolische moment waarop “alle scholen
op 1 oktober van start gaan”. Het onderwijsproces moet het hele schooljaar door
actief worden bewaakt, geëvalueerd en waar nodig gecorrigeerd. Zonder
structurele investeringen in sanitaire voorzieningen, voldoende hygiëne, een
veilige leeromstandigheden en een kindvriendelijke omgeving, is een verlenging
van schooltijden niet alleen onverstandig, maar een schending van fundamentele
kinderrechten. De dringende oproep aan het ministerie van Onderwijs,
Wetenschap en Cultuur is niet alleen plannen om schooltijden te verlengen, maar
eerst de verantwoordelijkheid nemen voor alle misstanden in het onderwijs.
