Achterin de taxi zit een jongen. Acht jaar oud. Zijn benen bungelen net boven de mat, zijn ogen groot en alert. Hij kijkt niet naar buiten, maar naar voren, naar de stemmen. Zijn oren vangen alles op.
Voorin praten volwassenen. Zacht eerst, dan feller. Over geld dat er niet meer is. Over een huis dat verkocht moet worden. Over vertrekken. Over scheiden. Woorden die ze voorzichtig uitspreken, alsof ze denken dat voorzichtigheid ze onschadelijk maakt.
“Het komt wel goed”, zegt de man uiteindelijk. “Kinderen begrijpen dat niet.”
De jongen zegt niets. Hij friemelt aan de rits van zijn tas. In zijn hoofd vormt hij beelden.
Mama die huilt in de keuken. Papa die stil naar zijn telefoon kijkt. Koffers die nog niet zijn gepakt, maar al bestaan.
Wanneer de taxi stopt en de deur opengaat, gebeurt het onverwachte. De jongen leunt naar voren, zijn stem klein maar helder. “Papa… ga jij weg omdat mama huilt?”
De stilte die volgt is zwaar. Geen woorden. Geen uitvluchten. De chauffeur ziet via de spiegel hoe gezichten breken, hoe volwassenen ineens kleiner worden dan het kind. Niemand antwoordt meteen. De waarheid hangt tussen hen in, rauw en eerlijk.
Het kind wist het al.
Hij hoorde alles.
En voelde nog meer.
