Sinds het presidentschap in de periode 2010- 2020 van Desi Bouterse werd Suriname door critici beschreven als een systeem waarin politieke macht en private verrijking samenvielen. Concessies, grondrechten en overheidsopdrachten concentreerden zich rond een beperkte kring verbonden aan de Nationale Democratische Partij.
Dat beeld is een stelling uit het publieke debat; harde gerechtelijke vaststellingen op het niveau van een allesomvattend onderzoek zijn nooit gepresenteerd. Juist die afwezigheid vormt de kern van de vraag waarom de regering van Chan Santokhi geen grootschalig herstelonderzoek startte om vermogensstromen terug te halen.
De satire begint waar de criminologie eindigt: kleptocratieën functioneren niet door openlijke roof, maar door normalisering. Netwerken verdelen toegang, legaliseren buit via vergunningen, en neutraliseren controle door institutionele traagheid. Onderzoek wordt uitgesteld tot het verjaart, archieven verdampen, en verantwoordelijkheid wordt versnipperd. In zo’n model is politieke wisseling geen breuk maar een herverdeling van stilte. De impliciete vraag naar afspraken tussen de leiding van de Vooruitstrevende Hervormingspartij en de NDP blijft onbeantwoord omdat het systeem baat heeft bij ambiguïteit; bewijsloosheid is een functie, geen tekort.
De economische maatstaf maakt de satire scherp. Twee miljard euro tegenover een maandloon van circa 300 euro betekent, bij aannames van een bevolking rond 600.000, ongeveer 3.300 euro per inwoner, ruwweg elf maandlonen per persoon. Alternatief gerekend vertegenwoordigt twee miljard euro circa 555.000 volledige jaarlonen van 3.600 euro. Deze grootheden zijn benaderingen; exacte cijfers vereisen vastgestelde bevolkings- en inkomensdata. De orde van grootte volstaat om de sociale schade te duiden.
De criminoloog concludeert dat terugvordering in zulke systemen faalt zonder drie voorwaarden: onafhankelijke vervolging, transparante vermogensregistratie en politieke kosten voor obstructie. Zonder die drie blijft onderzoek retoriek. De satire is dat men het gebrek aan bewijs opvoert als bewijs van onschuld, terwijl het juist het succescriterium van het systeem is. Dat verklaart de stilte.
