Een veel gehoorde klacht van ouders is:” Mijn kind komt laat thuis, is brutaal, komt afspraken niet na, is stiekem en jokt. Ik moet toch grenzen stellen! Niks doen is geen optie want opstandig en destructief gedrag kan ik niet tolereren want dan geef ik het kind te veel macht en verlies ik mijn controlemiddel en heb ik niks meer in te brengen. Maar als ik mijn kind voor zijn wangedrag straf, krijg ik haat en tegenstand.
Een kind straffen is een bekend en ingeburgerd fenomeen waar velen zich aan vastklampen. Ouders willen hun kind discipline bijbrengen door ze te straffen, maar ze vergeten dat discipline eigenlijk betekent onderwijzen, niet straffen. Het kind is een leerling en geen ontvanger van gedragsconsequenties.
Heeft straffen wel het gewenste effect? Straffen creëert angst, schuld en schaamte, en dat kan een gezonde ontwikkeling van het zelfbeeld van een kind schaden.
– Het leert kinderen niet hoe ze het de volgende keer beter kunnen doen; ze leren alleen het ongewenste gedrag te verbergen of stiekem te handelen om straf te ontlopen.
– Straffen kan de band tussen opvoeder en kind beschadigen en het vertrouwen ondermijnen, juist op momenten dat liefde het meest nodig is.
– Het kind kan in een vecht-of-vlucht-reactie schieten en niet meer openstaan voor een gesprek.
– Het effect van straffen is vaak van korte duur, dus het scoort geen blijvende verandering, waarna het gedrag terugkeert of erger wordt, omdat de oorzaak niet wordt aangepakt.
Relatie kind- opvoeder Mensen zijn sneller geneigd om kritiek te leveren en aan te stippen wat er niet goed gaat en dat stimuleert een goede relatie niet. De relatie die de opvoeder met het kind heeft, heeft veel invloed op het effect van de straf. Als je een goede relatie hebt, hoef je minder te straffen. Het kind kan dan meer begrip opbrengen voor de straf en zal zich graag weer goed willen gedragen omwille van de relatie. Bij een slechte relatie zullen negatieve gevoelens zoals woede, haat of machteloosheid gaan overheersen. De opvoeder is dan geneigd om strenger te gaan straffen en dat kan leiden tot gewenning en onverschilligheid bij het kind. Wanneer je straft, zal het kind in eerste instantie schrikken en stoppen, maar op de lange termijn verliest de straf zijn kracht. Dan heb je steeds zwaardere straffen nodig om effect te scoren. Dus straffen heeft een negatieve keerzijde en kan daarom, waar mogelijk, beter vermeden worden.
Wat werkt beter? Straf mag nooit het enige opvoedmiddel zijn dat wordt gebruikt bij wangedrag. Straffen stopt wangedrag even, maar leert ‘t kind niets over verantwoordelijkheid. Veel beter zijn positieve, stimulerende opvoedmiddelen. Het belonen van gewenst gedrag is vaak beter omdat het kind leert wat wel gewenst is. Het kind wil begrijpen wat het fout heeft gedaan. Leg aan het kind uit waarom je straft. Bijv, dat je spijbelgedrag afstraft voor zijn eigen bestwil. Maar meestal eisen volwassenen iets dat zij zelf willen en verwachten dat het kind blindelings gehoorzaamt. Bijv. ik wil dat jij je haren kort draagt.
Het is de bedoeling dat het kind iets leert van de straf. Laat straf nooit schadelijk zijn voor het kind en gebruik straf nooit als vergeldingsmiddel. Te strenge straffen hebben gevolgen voor de persoonlijkheidsontwikkeling van het kind en de relatie tussen opvoeder en kind. Wees consequent, dreigen met straf die niet wordt uitgevoerd heeft geen zin. Kies een straf die past bij de overtreding. Stuur het kind niet weg, (bijv. uit de klas) dit is slechts de gemakkelijkste weg voor de opvoeder maar lost niets op. Bij teveel straf kan een kind immuun en onverschillig worden. Volwassenen geven zelf niet graag een fout toe. Het getuigt van kracht als je zelf ook een fout kan toegeven. Zo leer je het kind dat iedereen wel eens fouten maakt en die ook weer recht kan zetten.
De reden om te straffen was en is nog steeds dat de opvoeder wilt dat het kind blindelings moet gehoorzamen. Men heeft het eerst geprobeerd met fysieke straffen( een pakslaag), ook met schreeuwen, vernederen en dreigen. Nu zijn er mildere straffen als time out, huisarrest of nablijven. Een time out wordt meestal gegeven als het de opvoeder te veel wordt.
Niet straffen betekent niet, niet opvoeden. Het kind probeert met zijn wangedrag altijd de opvoeder iets te vertellen. De opvoeder moet daarom dat wangedrag zien als informatie en niet als een bron van ergernis. Zodra je weet wat het kind je met zijn wangedrag duidelijk wil maken, kan je ernaar handelen. Een opvoeder moet leiderschap tonen zonder machtsuitoefening, schelden en beledigen. De opvoeder kan zich beter focussen op positieve bekrachtiging van goed gedrag, dat leert een kind meer over verantwoordelijkheid en zelfregulatie, in plaats van te reageren vanuit angst. Kortom, opvoeders moeten kinderen veiligheid bieden, onderwijzen, grenzen aangeven, corrigeren, ze leren om zelf na te denken over de effecten van hun gedrag en daarvoor verantwoordelijkheid te nemen.
Let wel, een kind is als een homp klei, hij wordt wat jij ervan hebt gemaakt. Kinderen horen je woorden niet maar kijken naar jouw gedrag.
“Children are educated by what the grown-up is and not by his talk.” – Sigmund Freud.
Josta Vaseur
