Elke nieuwe regering in Suriname brengt hetzelfde ritueel met zich mee: stoelen schuiven, namen verdwijnen, nieuwe gezichten verschijnen. Officieel heet het beleidsvernieuwing, in de volksmond gewoon wisseltruc. Dat dit nu ook onder president Simons gebeurt, zou dus geen schok moeten zijn. Toch kijkt een deel van de samenleving alsof de bliksem net is ingeslagen.
Volgens de regering is het simpel: een nieuw beleid vraagt om eigen mensen. Wie dat niet begrijpt, ervaart elke vervanging als een nationale ramp. Achter de schermen speelt zich echter een minder poëtisch tafereel af. In het ambtelijk apparaat is sprake van wat sommigen fluisterend een “slachting” noemen.
Ook kundige, loyale ambtenaren worden meegesleurd als collateral damage, simpelweg omdat zij niet het juiste politieke label dragen.
Naar buiten toe klinkt het verzoenend: “We moeten het samen doen.” Binnen de muren van ministeries, staatsbedrijven en stichtingen is het motto minder romantisch. Er is ruimte om meer dan duizend functies te vervangen, en elke nieuwe benoeming brengt uiteraard een vergoeding mee — keurig betaald door de belastingbetaler.
Of de nieuw aangewezen personen beter zullen functioneren, blijft voorlopig giswerk. Hun cv’s zijn onbekend, hun ervaring vaak vooral politiek. Velen zijn getraind in een cultuur van aanmelden en benoemd worden, niet in één van meten, presteren en leveren. Uitzonderingen daargelaten, uiteraard. In Suriname blijft verandering dus vooral herkenbaar: nieuw gezicht, oud gevoel.
