In de internationale politiek is stilte zelden neutraal. Zij wordt gelezen, gewogen en geïnterpreteerd. Juist daarom roept het buitenlands optreden van president Jennifer Simons vragen op.
Waar leiderschap gevraagd wordt, lijkt terughoudendheid te domineren. Haar zwijgen na de ontvoering van de zittende Venezolaanse president Nicolás Maduro en first lady Cilia Flores is daar een pijnlijk voorbeeld van. Geen duidelijke afkeuring, geen eis tot onmiddellijke vrijlating. Dat is geen diplomatieke nuance, maar een gemiste morele positie.
Dit zwijgen steekt des te meer, omdat Venezuela bij haar inauguratie expliciet erkenning gaf op het hoogste niveau, door vicepresident Delcy Rodríguez af te vaardigen. Dat was geen formaliteit, maar een krachtig signaal van regionale legitimiteit. Suriname had deze erkenning kunnen en moeten beantwoorden met solidariteit toen de constitutionele orde in Venezuela werd geschonden.

Als diplomaat kijk je dan naar de onderliggende drijfveren. Angst is een plausibele factor. De Verenigde Staten, onder een Trump-achtig “no nonsense”-discours, duldt weinig tegenspraak in hun achtertuin. Simons kent die druk. Zij draagt de herinnering aan de jaren tachtig, aan sancties, isolatie en directe Amerikaanse druk tijdens het militaire tijdperk. Die historische bagage kan verlammend werken.
Maar buitenlands beleid kan niet uitsluitend door trauma’s uit het verleden worden gestuurd. Kleine staten hebben juist baat bij helderheid, principes en voorspelbaarheid. Niet door loze conferenties af te lopen, maar door duidelijk positie te kiezen binnen het internationaal recht en regionale solidariteit.
De huidige houding wekt de indruk van een wankelende koers: voorzichtig, afwachtend, bijna defensief. Dat is gevaarlijk. In geopolitiek geldt: wie niet spreekt, wordt gesproken. En wie geen positie inneemt, verliest aan relevantie. Suriname verdient een buitenlands beleid dat niet wordt gedreven door angst, maar door visie, waardigheid en zelfrespect.
