Koloniale wonden blijven open: moet Suriname het Algerijnse voorbeeld volgen?  

Terwijl Suriname ruim vijftig jaar na de onafhankelijkheid nog steeds leeft met de littekens van drie eeuwen Nederlandse kolonisatie, laait het debat over historische rechtvaardigheid opnieuw op. Duizenden mensen werden onder valse voorwendselen naar Suriname gebracht, onder mensonterende omstandigheden uitgebuit en tot slaaf gemaakt. Die geschiedenis werkt tot op de dag van vandaag door in sociale ongelijkheid, economische achterstanden en collectief trauma.

De recente stap van Algerije werpt nieuw licht op deze discussie. Het Algerijnse parlement nam een wet aan waarin de kolonisatie door Frankrijk officieel als misdaad wordt bestempeld, met eisen tot teruggave van geroofd bezit en herstelmaatregelen. Het gaat niet alleen om symboliek, maar om erkenning en concrete compensatie.

In Suriname bleef het tot nu toe bij excuses van Nederland. Over schadevergoeding wil Den Haag niet praten. Volgens mensenrechtenexpert dr. A. Ramdin is dat onvoldoende. “Excuses zonder herstel zijn moreel leeg”, stelt hij. 

“Internationaal recht erkent steeds vaker dat koloniale misdaden langdurige schade veroorzaken. Staten hebben niet alleen een morele, maar ook een juridische plicht om die schade te herstellen.”

De vraag is daarom steeds luider: moet Suriname zelf wetgeving aannemen om historische onrechtvaardigheid formeel te erkennen en herstel af te dwingen? Voor velen is duidelijk: genezing begint pas waar erkenning en rechtvaardigheid samenkomen.

error: Kopiëren mag niet!