De recente aanval van de Verenigde Staten op Venezuela, waarbij president Nicolás Maduro met geweld werd ontvoerd, legt een pijnlijke waarheid bloot: de internationale orde functioneert niet op basis van recht, maar op basis van macht. Wat zich hier voltrekt, is geen incident, maar een symptoom van een systeem dat selectief straft en selectief zwijgt.
Toen Rusland Oekraïne binnenviel, volgde vrijwel onmiddellijk een golf van sancties. De Europese Unie bevroor tegoeden, sloot luchtruim en zette een ongekende economische oorlog in. Zelfs de sportwereld bleef niet buiten schot: de FIFA sloot Rusland uit van internationale competities. De boodschap was helder: agressie tegen een soevereine staat heeft consequenties.
Waarom zien we diezelfde reflex nu niet? Waarom geen sancties, geen noodzittingen met tanden, geen sportieve of economische uitsluiting wanneer Washington handelt buiten het internationaal recht? Het antwoord is ongemakkelijk maar duidelijk: omdat de Verenigde Staten niet slechts deelnemer zijn aan de wereldorde, maar haar scheidsrechter, aanklager én uitvoerder.
De regels gelden voor zwakkere staten, niet voor de architecten van het systeem. Instellingen die geacht worden neutraal te zijn, van multilaterale organisaties tot internationale sportbonden, bewegen mee met het zwaartepunt van de macht. Recht wordt zo een instrument, geen principe.
De vraag “wie bepaalt de wereldorde?” is daarmee beantwoord. Niet het internationaal recht, niet universele normen, maar geopolitieke dominantie. Zolang die realiteit niet wordt erkend en uitgedaagd, blijft de wereldorde geen orde, maar een hiërarchie. En voor landen in het mondiale zuiden is dat geen academische discussie, maar een existentiële waarschuwing.
