Van jungles in Guatemala tot Caracas: de lange schaduw van Amerikaanse regime-verandering in Amerika

In de loop van de 20ste en 21ste eeuw heeft de Verenigde Staten herhaaldelijk politiek ingegrepen in landen van Zuid-, Centraal- en Latijns-Amerika — soms zichtbaar met tanks en oorlogsschepen, vaak covert via de CIA of diplomatieke druk. Historici schatten dat er tientallen gevallen zijn geweest waarin Washington direct of indirect heeft bijgedragen aan de afzetting of ontsnapping van regeringsleiders.

Een van de meest beruchte voorbeelden is Guatemala 1954, waar de CIA een democratisch gekozen regering onder Jacobo Árbenz omverwierp, omdat deze landhervormingen doorvoerde die Amerikaanse belangen zouden bedreigen.

In Brazilië (1964) en Bolivia (1971) steunde Washington militaire coups die linkse presidentschappen beëindigden en militaire regimes installeerden.

In Chili (1973) speelde de VS een belangrijke rol in de omverwerping van Salvador Allende, wat een brutale dictatuur onder generaal Pinochet inluidde.

Sommige acties waren openlijk militair — zoals de invasie van Panama in 1989, toen generaal Manuel Noriega werd afgezet en naar de VS werd gebracht om daar te worden berecht.

Andere pogingen, zoals de Bay of Pigs-invasie tegen Cuba (1961), mislukten maar markeerden Washington’s ambitie om tegenstanders te verwijderen.

Deze interventies vonden plaats onder het mom van Koude Oorlog-containment, anti-communisme of strijd tegen drugshandel. Maar ze lieten diepe wonden achter: langdurige dictaturen, politieke instabiliteit, en wijdverspreide achterdocht jegens de VS.

Het meest recente voorbeeld is de spectaculaire Amerikaanse operatie in de vroege ochtend van zaterdag 3 januari, waarbij troepen de Venezolaanse president Nicolás Maduro grepen en uit Caracas haalden — de meest directe afzetting door de VS sinds Panama.

De wereld reageert verdeeld: sommigen juichen het einde van een autoritair bewind toe, anderen waarschuwen voor zaak van soevereiniteit en regionale spanningen.

error: Kopiëren mag niet!