Het is 03.17 uur wanneer de taxi abrupt tot stilstand komt. De straat is donker, alleen een flikkerende lantaarnpaal en het gezoem van krekels doorbreken de stilte. De vrouw zwaait wild, haar adem gejaagd. Ze draagt maar één slipper. Op haar arm klemt een slapend kind, het hoofdje tegen haar borst.
“Rij”, zegt ze zodra ze instapt. Haar stem is schor. “Niet omkijken.”
De chauffeur hoeft niets te vragen. Hij trekt op. Achter hen blaft een hond. Iemand roept iets in de verte. De vrouw wiegt het kind zachtjes, fluistert “Sss… mama de dyaso.” Haar jurk is gescheurd bij de schouder, haar haar nat van zweet en tranen.
Ze rijden langs gesloten winkels, een slapende markt, een houten huis waar een radio nog zacht kaseko speelt. Bij de brug naar Latour kijkt ze even op. Haar ogen zijn rood, maar vastberaden.
“Hij mocht mij niet meer aanraken”, zegt ze plots. Meer niet.
De chauffeur knikt, zijn handen strak om het stuur. Hij denkt aan zijn eigen dochter, thuis onder een muskietennet. Hij zet de meter uit.
Wanneer ze uitstapt bij het huis van haar tante, kust ze het kind wakker.
“Vrij”, fluistert ze.
De taxi rijdt verder. De nacht blijft achter, maar het besluit rijdt mee.
