In de internationale politiek zijn zeldzame maar dramatische momenten waarbij zittende presidenten of premiers worden afgezet en meegenomen door buitenlandse troepen. Het meest recente voorbeeld kwam begin januari 2026, toen de Verenigde Staten een grote militaire operatie uitvoerden in Caracas. Tijdens de aanval werd de Venezolaanse president Nicolás Maduro samen met zijn vrouw door Amerikaanse speciale eenheden opgepakt en uit Venezuela gevlogen. Washington wil hem berechten in de VS op grond van beschuldigingen rond drugshandel en terrorisme, wat leidde tot wereldwijde verontwaardiging en vragen over soevereiniteit en internationaal recht.
Dit soort acties hebben historische precedenten, bijvoorbeeld in Panama in 1989, toen de VS het land binnenvielen en de toenmalige leider Manuel Noriega liet arresteren. Noriega werd uiteindelijk naar de Verenigde Staten gebracht en daar veroordeeld voor drugssmokkel.
Een ander controversieel geval vond plaats in Haiti in 2004, toen president Jean-Bertrand Aristide met hulp van Amerikaanse militairen het land verliet en naar het buitenland werd gevlogen. Aristide zelf noemde dit een kidnapping, iets wat Washington ontkende en als een diplomatieke oplossing zag in een interne crisis.
Hoewel de context per geval verschilt — van strafrechtelijke vervolging tot politieke omwenteling — illustreren deze gebeurtenissen de spanning tussen nationaal leiderschap en buitenlandse militaire macht in het huidige tijdperk.
