2025 is voorbij, maar het geklaag over winkelprijzen klinkt als een liedje zonder einde. In Suriname zijn de beste controleurs geen ambtenaren met formulieren, maar vrouwen met boodschappentassen en scherpe ogen. Zij merken het meteen: dezelfde rijst, dezelfde olie, dezelfde zeep – maar elke maand een paar centen duurder. Niet schokkend. Juist slim. Sluw.
“Dat is gemeen”, zeggen ze. Want economisch is er niets veranderd. Geen hogere lonen. Geen wondergroei. Geen olie. En tóch stijgen de prijzen alsof we al zwemmen in dollars.
Surinamers kunnen het nauwelijks meer betalen.
Veel producten lijken inmiddels geprijsd voor expats: buitenlandse werknemers, consultants en projectmedewerkers die tijdelijk in Suriname wonen, vaak voor internationale bedrijven of ambassades. Zij verdienen in euro’s of dollars, krijgen huisvesting en toelagen, en voelen die SRD-prijsstijgingen nauwelijks. De lokale burger wel. Elke dag.
En dan komt de grote grap: olie. We hebben nog geen druppel gezien, maar de prijzen gedragen zich alsof de boor al in de keuken staat. Wat gebeurt er straks, als de olie écht komt?
De regering kijkt, vergadert, babbelt. Aan het eind gebeurt niets. Misschien omdat sommige winkeliers ook trouwe sponsors zijn in verkiezingstijd.
Voorbeeld: gisteren kostte een blik sardines SRD 115. Vandaag SRD 125. “Kleine verhoging”, zegt de winkelier. Maar aan het eind van de maand is je portemonnee leeg.
Welkom in Suriname, waar prijzen vooruitlopen op welvaart… die nog moet komen.
