De burger kijkt ontroerd toe. Daar staat de minister, glimlach breed, mouw netjes opgestroopt, terwijl hij een voedselpakket overhandigt. “Wat een mens”, fluistert men eerbiedig. “Echt een humanitarian.” Camera’s klikken, linten worden doorgeknipt, en ergens op de achtergrond wappert een vlag alsof ook die trots is.
Wat de burger even vergeet, is dat hij zélf de boodschappentas heeft betaald. De rijst, de olie, het blikje sardines—allemaal afgerekend met belastinggeld dat elke maand trouw van zijn loon werd afgehouden. Maar in het verhaal van de dag is de minister de weldoener, de redder, de barmhartige Samaritaan in maatpak.
Het is een wonderlijk toneelstuk. Eerst wordt het geld opgehaald bij dezelfde mensen die moeite hebben om rond te komen. Daarna keert het geld terug, lichtjes uitgedund, verpakt in plastic met een logo erop. En voilĂ : liefdadigheid. Applaus. Dankbaarheid. Nog een foto.
De satire zit hem niet in het helpen zelf—helpen is nodig. De satire zit in de verering. In het idee dat iemand goed is omdat hij weggeeft wat nooit van hem was. De burger klapt, buigt zelfs een beetje, en zegt dank u wel. Ondertussen denkt de minister: missie geslaagd. Niet alleen het geld is rondgegaan, maar ook het beeld.
