Er is weinig zo surrealistisch als een Assembleelid dat mij met ernstige blik komt uitleggen hoe ik mijn bedrijf moet runnen. Iemand die nauwelijks zijn onderbroek omhoog kan houden, maar wel precies weet hoe ondernemerschap werkt—althans, in theorie. Praktijkervaring? Die zit vermoedelijk ergens tussen de plenaire zaal en het parkeerterrein.
Terwijl ik risico’s neem, salarissen betaal en slapeloze nachten trotseer, leeft hij comfortabel van mijn belastinggeld. De staat als vaste werkgever, falen zonder gevolgen, en elke maand gegarandeerd salaris. Ondernemen zonder klanten, zonder concurrentie, zonder marktdruk—dat is pas luxe.
Ze praten met grote woorden over efficiëntie, hervormingen en discipline, maar hebben geen flauw idee wat het betekent als één verkeerde beslissing je hele bedrijf kan kosten. Toch ligt mijn lot in hun handen: wetten, heffingen, regels, allemaal bedacht door mensen die nog nooit een loonlijst hebben gezien van hun eigen onderneming.
Het is alsof een zwemleraar die niet kan zwemmen mij komt vertellen hoe ik het hoofd boven water moet houden. En ik mag luisteren—want zij beslissen.
