De beslissing van minister Melvin Bouva van Buitenlandse Zaken, Internationale Handel en Samenwerking om het diplomatieke paspoort van Xaviera Jessurun in te trekken, kan juridisch worden beoordeeld aan de hand van het Weens Verdrag inzake diplomatiek verkeer (1961), nationale regelgeving en bestaande internationale praktijk. Op basis daarvan lijkt de handeling verdedigbaar en proportioneel.
Allereerst is van belang dat het Weens Verdrag géén automatisch recht toekent op een diplomatiek paspoort. Het verdrag regelt diplomatieke privileges en immuniteiten voor personen die door een staat zijn geaccrediteerd en erkend door de ontvangende staat. Een diplomatiek paspoort is een nationaal administratief instrument en geen verdragsrechtelijk recht. De uitgifte, intrekking en correctie ervan vallen onder de soevereine bevoegdheid van de zendstaat.
Cruciaal is dat Jessurun ten tijde van de uitgifte van het paspoort al de status van verdachte had in een strafrechtelijk onderzoek. Internationale praktijk en eerdere jurisprudentie bevestigen dat staten verplicht zijn zorgvuldig om te gaan met diplomatieke documenten, juist om misbruik te voorkomen. Het toekennen of laten voortbestaan van een diplomatiek paspoort aan een verdachte in een ernstige strafzaak kan strijdig zijn met het beginsel van good faith en met de plicht van staten om strafvervolging niet te frustreren.
Verder geldt dat diplomatieke immuniteit – voor zover al van toepassing – functioneel is en gekoppeld aan officiële taken. Werknemers bij internationale organisaties zoals de Organisatie van Amerikaanse Staten, OAS – waar Jessurun werkzaam is -, genieten slechts die immuniteiten die expliciet voortvloeien uit hun statuut of een zetelverdrag. Een diplomatiek paspoort op zich creëert geen immuniteit en kan evenmin worden gebruikt om nationale rechtsgang te ontwijken. De melding aan de secretaris-generaal van de OAS sluit aan bij internationale zorgvuldigheid en transparantie.
Ook het feit dat Jessurun niet is verschenen op een oproep van het Openbaar Ministerie versterkt de rechtvaardiging voor correctief optreden. Staten mogen maatregelen treffen om vlucht- of ontwijkingsrisico’s te beperken.
Concluderend kan worden gesteld dat de intrekking van het diplomatieke paspoort, gelet op het Weens Verdrag, internationale jurisprudentie en de ernst van de verdenkingen, juridisch correct en in lijn met internationaal aanvaarde normen is.
Het betreft geen straf, maar een noodzakelijke administratieve correctie ter bescherming van de rechtsorde en de geloofwaardigheid van het diplomatiek systeem.
