Inke was geen opvallende vrouw. Ze praatte zacht, werkte hard, klaagde nooit. Elke ochtend stond ze vroeg op om het huis van haar werkgever schoon te maken. Vloeren glommen als spiegels, het bed strak opgemaakt, ramen helder als water. Vijftien jaar lang werkte ze trouw bij dezelfde familie. Ze was geen personeel, ze werd familie.
Maar achter haar glimlach zat pijn. Inke had drie kinderen en een man die haar meer tranen dan liefde gaf. Hij dronk. Alles wat zij opbouwde, dronk hij kapot. Toch bleef ze lang, uit hoop dat hij zou veranderen. Tot ze brak.
Ze regelde een scheiding. Niet omdat ze wilde, maar omdat ze moest. Een kans diende zich aan: een schijnhuwelijk in Nederland. Ze beloofde haar ex-man dat ze hem later zou halen, maar diep vanbinnen wist ze: dat zou ze nooit doen. Teveel was stuk.
Inke vertelde het eerlijk aan haar werkgever. Hij begreep het. “Jij verdient beter”, zei hij. “Ga.”
Acht jaar later zag ik haar terug. In het vliegtuig van Amsterdam naar Paramaribo. Ze straalde. Niet omdat alles makkelijk was gegaan, maar omdat ze het had gered. Ze werkte schoon in verzorgingstehuizen, deed avondopleidingen, sprak vloeiend Nederlands. En haar drie kinderen? Die waren bij haar. Ze studeerden. Waren veilig.
Ze vroeg me: “Denk je dat het nog goedkomt met Suriname? Ze zeggen dat er olie komt.”
Ik wilde haar hoop geven, maar ik wist wat ze bedoelde.
“Ze gaan het stelen”, zei ze. En ik had geen antwoord meer.
Inke is geen heldin uit boeken. Ze is een moeder. Een vrouw. Een mens die vocht voor een beetje geluk. Suriname gaf haar geen ruimte om te groeien. Nederland gaf haar een kans.
Inke verdient een standbeeld. Niet van brons, maar in herinnering. Want mensen als zij bouwen werelden op, zonder dat iemand het ziet.
