De regering Simons is nog maar net aangetreden en de eerste boodschap die het volk kreeg, is dat er zware tijden aankomen. Sommigen fluisteren zelfs dat we misschien weer een IMF-programma ingeduwd worden, met daarachter het zoveelste bezuinigingspakket. Maar laten we eerlijk zijn: dit scenario is ons al vaker voorgehouden, en het eindigt altijd hetzelfde — met meer armoede, meer schulden en minder hoop.
De waarheid is hard, maar simpel. De Surinaamse economie sukkelt al jaren niet vanwege oorlog of internationale crisissen, maar door decennialang wanbeleid. De ene regering stapelt fouten op de andere, en ondertussen zakt het volk steeds dieper weg in de ellende. De oorzaak zit niet ver van huis: corrupte praktijken, vriendjespolitiek, en het structureel uitstellen van moeilijke maar noodzakelijke hervormingen.
Sommigen zullen zeggen: “Geef deze regering een kans. Ze zijn net begonnen.” Maar dat is een halve waarheid. Want veel van de partijen en mensen die nu deel uitmaken van de coalitie, zaten er eerder al bij toen het fout ging. Het zijn geen frisse gezichten met een nieuw beleid, het zijn oude bekenden in een nieuw jasje.
Toch accepteert het volk keer op keer bezuinigingen alsof het niet anders kan. Alsof overleven zonder perspectief een normaal onderdeel is van het Surinaamse bestaan. We klagen, we protesteren soms, maar uiteindelijk slikken we de bittere pil alsof we er zelf om gevraagd hebben.
En dan rijst de vraag: hoe komt het dat een volk dat lijdt onder beleid, toch telkens weer op dezelfde politici stemt?
Het antwoord is pijnlijk.
We zijn gewend geraakt aan armoede. We zijn afhankelijk gemaakt van politieke gunsten. Een voedselpakket, een overheidsbaantje, een beetje hulp met schoolgeld — daar hangen vaak hele stemmen aan. Mensen stemmen niet op visie of lange termijn, maar op wie hen vandaag uit de brand helpt. Zelfs al is het diezelfde politicus die het vuur heeft aangestoken.
Daarom kunnen verkiezingen in Suriname soms aanvoelen als een draaideur: de gezichten wisselen, maar het systeem blijft hetzelfde.
Wat moet er dan gebeuren om uit deze vicieuze cirkel te breken?
Ten eerste moeten we investeren in politieke bewustwording. Als het volk niet begrijpt hoe beleid werkt, waarom begrotingen belangrijk zijn, en wat politieke keuzes voor gevolgen hebben, blijven we kwetsbaar voor loze beloftes.
Ten tweede hebben we nieuwe leiders nodig – maar belangrijker nog: een nieuwe bestuurscultuur. Eerlijkheid, transparantie en verantwoordelijkheid moeten de norm worden, niet de uitzondering.
Ook moet het maatschappelijk middenveld – NGO’s, kerken, vakbonden, burgerorganisaties – veel actiever worden. Niet alleen om te protesteren, maar om alternatieven aan te dragen. Wij mogen niet langer zwijgen als de fundamenten van onze samenleving wegzakken.
En misschien nog wel het belangrijkste: het volk heeft mentale heropbouw nodig. Zolang we blijven denken dat het altijd zo zal blijven, zal het ook altijd zo blijven. Zolang we blijven zeggen “wat kunnen wij doen?”, verandert er niets.
Suriname heeft geen sterke leider nodig die alles belooft op te lossen. Suriname heeft een sterk volk nodig dat weet wat het waard is. Een volk dat durft te zeggen: tot hier en niet verder.
Preani Koendjbiharie
