Veiling Zorghotel

In het dezer dagen te verschijnen eerste nummer van het Surinaams Juristen Blad heeft de rechtswetenschapper en kenner van het Surinaamse recht, mr. dr. C.A. Kraan (annotator) een interessant noot (commentaar) geschreven op het vonnis van het HvJ van 7-8-2019 inzake RCR ca Hakrinbank c.s. Vermeldenswaard is dat de annotator kort geleden gedecoreerd is door de President van de Republiek Suriname voor zijn talloze bijdragen aan het Surinaamse rechtsgebeuren. RCR exploiteert aan de Anton Dragtenweg onder de naam Zorghotel een medisch centrum. RCR had een hypotheek afgesloten bij de Hakrinbank/NOB in totaal voor een bedrag van € 5.500.000,=. Aangezien RCR niet aan haar verplichtingen had voldaan, besloten de schuldeisers tot de verkoping ex. 1207 B.W. RCR vorderde in kortgeding stopzetting van de executie. De Kantonrechter schort de executie op. Dit leidt tot financiële afspraken die niet worden nagekomen, waarna de Kantonrechter op 30-1-2019 de vordering van RCR tot stopzetting afwijst.

De veiling vindt vervolgens plaats. Koper in de veiling is het Academisch Ziekenhuis (AZ). Na de veiling vordert RCR doorhaling van de inschrijving van het proces-verbaal en een verbod voor de koper om beheers- en beschikkingshandelingen te verrichten en RCR in het rustig genot te laten van de geveilde goederen totdat in bodemgeschil zal zijn beslist. AZ vordert van haar kant dat RCR zal meewerken aan de overname. Bij vonnis van 18-4-2019 wijst de Kantonrechter de vorderingen van RCR af en de vordering van AZ wordt toegewezen. Tegen deze uitspraak komt RCR in beroep.

Uitspraak Hof

De belangrijkste grieven van de RCR zijn: de Kantonrechter heeft de vraag of de banken in strijd met hun zorgplicht hebben gehandeld op ondeugdelijke wijze getoetst.  De exploitatie van het Zorghotel werd getroffen door het gewijzigde beleid van Nederland om de vergoeding van de kosten van nazorg van patiënten buiten de E.U. te laten vervallen. De basis waarop het Zorghotel was opgebouwd, was verdwenen. Het Hof is van oordeel dat op de schuldeisers een onderzoeksplicht rust. De bijzondere zorgplicht van de bank brengt mee dat niet zondermeer kredieten kunnen worden verstrekt, maar dat ook de kredietwaardigheid en aflossingsmogelijkheid van de cliënt dient te worden nagegaan. Bij de veiling is afgeweken van de veilingvoorwaarden doordat de notaris, een minuut voordat de veiling zou worden gehouden, bekend heeft gemaakt dat de executanten hebben bepaald dat er geen termijn van beraad is, dat direct zal worden toegewezen, danwel gegund aan de hoogste bieder en dat de koopsom direct contant danwel binnen een half uur middels een garantiestelling betaald moest worden. Volgens RCR is deze voorwaarde in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Het Hof is van oordeel dat in het algemeen het wijzigen van de algemene voorwaarden niet in strijd is met enige wettelijke bepaling of bestendig gebruikelijk beding.

In casu waarbij o.a. de betalingscondities van de koopsom zijn aangepast is er wel strijd met de redelijkheid en billijkheid. Dit omdat niet uitgesloten is dat de schuldeisers hierdoor andere belangstellenden hebben ontmoedigd danwel niet in de gelegenheid hebben gesteld voorzieningen te treffen teneinde een serieus bod te doen.

Het Hof vermoedt dat vooraf afspraken zijn gemaakt met een aspirant koper (AZ). Hierdoor hebben de schuldeisers misbruik gemaakt van hun executierecht.

AZ is van mening dat een onrechtmatig handelen voor rekening is van de schuldeisers, maar dat zij als koper moet worden beschermd. Het Hof acht het aannemelijk dat de banken en AZ hebben samengespannen met als doel dat AZ de onroerende goederen tegen de bankschuld kon kopen. Het Hof komt tot de conclusie dat de banken hun zorgplicht jegens RCR hebben geschonden en tevens misbruik gemaakt hebben van hun executierecht, terwijl AZ hiervan heeft geprofiteerd.

Op grond hiervan acht het Hof het aannemelijk dat in een bodemprocedure de rechtsgeldigheid van het proces-verbaal van toewijzing zal worden vernietigd. Op grond hiervan vernietigt het Hof het vonnis van de Kantonrechter.

Tevens verbiedt het Hof AZ om beheers- en beschikkingshandelingen te verrichten m.b.t. de geveilde objecten en beslist dat het AZ RCR in het genot van deze goederen moet laten totdat in een bodemprocedure is beslist. 

In zijn noot merkt Kraan op dat het in Nederland vaste jurisprudentie is dat de maatschappelijke functie van banken een bijzondere zorgplicht meebrengt. Die zorgplicht geldt zowel jegens cliënten van banken uit hoofde van de met hen bestaande contractuele verhouding als jegens derden met de belangen van wie de banken rekening behoren te houden. 

Kraan wijst erop dat in het concrete geval ten aanzien van de zorgplicht twee aspecten een rol spelen. In de eerste plaats gaat het om het product dat RCR afnam, in casu een geldlening zonder bijzondere problemen. Een tweede belangrijke omstandigheid is dat RCR zelf ondernemer is met eigen deskundigheid.

Kraan zegt dat de zorgplicht van de banken niet zover kan gaan dat zij ieder risico in het belang van de ondernemer dienen te vermijden en vindt dat in casu de banken hun zorgplicht niet hebben geschonden.

Hij stelt dat alleen als duidelijk sprake zou zijn van een tijdelijke tegenslag de bank gehouden is de financiering onder redelijke voorwaarden voort te zetten.

Kraan is van mening dat het in casu gaat om een doorgewinterde zakenman die de consequenties van zijn handelen kan overzien.

De gedachte bij een executoriale verkoop is dat door het in acht nemen van de voorschriften de hoogste opbrengst moet worden verkregen.

De banken hadden geen belang bij een hogere opbrengst dan de hoogte van hun vorderingen, de schuldenaar wel. Ook is het aannemelijk dat hier sprake is geweest van overleg tussen de banken en AZ met als oogmerk eventuele andere biedingen te voorkomen.

Op deze wijze hebben de banken gehandeld in strijd met de wettelijke eisen o.a. dat de veiling moet geschieden met inachtneming van het plaatselijk gebruik, hetgeen leidt tot nietigheid van de veiling. 

De annotator wijst erop dat RCR de mogelijkheid heeft om hangende het hoger beroep het Zorghotel te verkopen voor een veel hoger bedrag dan de schuld, die overigens steeds hoger wordt omdat de verschuldigde rente blijft lopen. Volgens RCR zou de marktwaarde van de geveilde objecten tenminste € 14 miljoen bedragen.

De noot van Kraan is als voormeld in extenso gepubliceerd in het SJB 2021 no. 1 en is niet alleen voor (notarieel) juristen van belang, maar voor een ieder die te maken heeft met kredietverleningen. Het lijvige vonnis zelf is gepubliceerd op website van het HvJ (zaak nummer GR-15670, publicatiedatum 8 augustus 2019).   

Carlo Jadnanansing

Paramaribo, 27 april 2021.

error: Kopiëren mag niet!
%d bloggers liken dit: