Persvrijheid niet ten volle benut

Suriname zit in de top 20 van de wereld wat betreft de persvrijheid. Dat zijn van die berichten die je vaker wil lezen over jouw land. In welke staat de persvrijheid in Suriname ook mocht zijn, er is door mediabedrijven en –eigenaren ervoor gevochten en er worden risico’s genomen. De risico’s zijn minder op het vlak van geweld, maar eerder op het gebied van rancune: dus het afstraffen via economische maatregelen, zoals het boycotten of het afzien van reclames. Dat geldt vooral voor de mediabedrijven die hoge operationele kosten hebben zoals een papieren krant. De prijs van een krant is in Suriname vrij laag, de oplagen zijn niet bijzonder hoog omdat we te maken hebben met een kleinschalige bevolking. Betaalde online-abonnementen moeten nog hun ingang vinden en dragen dus niet bij aan de operationele kosten. Toen we in 1975 onafhankelijk werden, bestonden er kranten en kritische radioprogramma’s in Suriname, meertalig. In 1980 en in het bijzonder 1982 kwam de grote slag en kregen we een stilstand van 7 jaar tot 1987. De cultuur van vrees en censuur had intussen haar intrede gedaan en dat zou decennialang nog voortduren, vooral omdat de betrokkenen met min of meer dezelfde attitude tegenover de pers zijn blijven hangen in de democratische politiek. Na het herstel van de democratie zijn mediabedrijven begonnen om op te krabbelen en de vrije pers nieuw leven in te blazen. De fysieke schade werd sneller hersteld dan de mentale schade, mediapersoonlijkheden kwamen terug uit ballingschap en zorgden weer voor de verbreding en verdieping van het medialandschap. De bijzondere culturele identiteit van het Surinaamse volk en de mengelmoes hebben gezorgd voor een zeer gevarieerd landschap waar burgers toch wel vrij zijn om kritisch te zijn en vrij hun programmering in te richten. Suriname scoort al een hele tijd redelijk goed op de index, de vrijheid is door burgers genomen ook in de vorige regeerperiode, maar er was toch wel intimidatie vanuit de regering en in het bijzonder de staatsradio en het staatsnieuwsagentschap. De intimidatie leidde ertoe dat mediawerkers gingen inbinden om rancune in de kleinschalige samenleving te voorkomen. Suriname is op de index 1 plaats geklommen en de kans is groot dat we verder gaan klimmen. Dat kan gebeuren als mediawerkers hun grenzen gaan verleggen door meer te doen aan onderzoeksjournalistiek. Er is ruimte voor de pers om meer graafwerk te doen naar corruptie waarin politieke functionarissen en het bedrijfsleven zijn betrokken. Om een voorbeeld te geven: een ondernemer en investeerder heeft verklaard dat hij miljarden USD aan investeringen kan organiseren, maar dat zowel bij de vorige regering als bij de huidige regering er in het systeem personen zijn die een tyuku vragen. In Suriname houdt dan het werk van de media precies hier op: de namen van de vernietigers van het land zullen niet worden genoemd. Ook op het gebied van de milieuvernietiging is er veel onderzoekswerk te doen. Er zijn zo bijvoorbeeld scalians die rivieren en gemeenschappen aan het vergiftigen zijn, maar het lijkt alsof deze schepen aan anonieme marsmannetjes behoren. Ook hier is de media bang en terughoudend om de namen te noemen van de vernietigers van het milieu en vooral ook hun handlangers binnen de regering die hen de hand boven het hoofd houden. Dat geldt ook voor de kaalkap van het Surinaamse bos. Zo is mooi vermeld in de media dat containers met illegaal hout aangehouden zijn op de haven, maar aal wie behoort dit hout? Neen, de namen worden niet genoemd. En geven we als laatste voorbeeld een ander gebied waar de pers haar vrijheid bang is om te gebruiken: het degelijk gedrag dat van publieke functionarissen en politieke leiders wordt geëist. Neem nu het voorbeeld van een politicus die jarenlang met bewaking en al op bezoek gaat bij een moeder en een dochter (weduwe en halfwees) met hij tegelijk of achter elkaar een relatie heeft gehad. Dat het hier gaat om een kwetsbare groep interesseert de media niet. Al zou de politicus de hele avond met en bij de vrouwen slapen, al dan niet met de blauwe pil, om dan in de ochtend te vertrekken naar de kampong, de Surinaamse media zou daar geen interesse voor hebben. En zo modderen we dan voort met duivels die mede de verantwoordelijkheid dragen om te trekken aan het stuur waarmee het land wordt bestuurd. Een onderontwikkeld onderdeel in de Surinaamse media zijn de fotografen die momenten vastleggen die degelijk gedrag zullen bevorderen. Dan denken we aan de fotograaf die de aantekeningen van de eerste formateurs heeft kunnen fotograferen. Surinaamse mediawerkers zou dat nooit zijn gelukt. Ook in DNA komt het voor dat mensen als honden en katten voor de camera vechten, maar daarna heel vriendschappelijk lachen en gieren met elkaar. De Surinaamse mediawerkers liggen dan te slapen of met hun telefoon te spelen. We zijn ingenomen met plaats nummer 19, maar we beseffen tegelijk dat in Suriname van de level playing field geen gebruik wordt gemaakt. Het gras is door de veelheid vermorzeld en dood rondom het middenveld, aan de zijkanten is het gras echter nog onaangetast: een fenomeen wat we kennen van de speelvelden waarop kinderen voetballen.           

error: Kopiëren mag niet!
%d bloggers liken dit: