De wet Notarisambt 2019

In het binnenkort uit te komen eerste nummer van het SJB van 2020 is van mijn hand een artikel geplaatst getiteld: “De nieuwe wet Notarisambt (WN) 2019”. Ik doe in dit stuk een korte weergave van het artikel. In eerdere artikelen had ik al het een en ander over deze wet geschreven, vandaar dat in dit artikel alleen het nieuwe tuchtrecht wat uitgebreider besproken zal worden.

Voor de duidelijkheid geef ik summier eerst de belangrijkste wijzigingen in de nieuwe wet weer.

– Verhoging van het maximale aantal notarissen van twintig naar vijftig. Kort geleden zijn tien nieuwe notarissen benoemd zodat er nog ruimte is voor twintig.

– Geen verplichte aanwezigheid van getuigen. In de oude wet was voor elke akte verplicht gesteld dat deze moest worden verleden in tegenwoordigheid van twee getuigen. Thans is de aanwezigheid van getuigen slechts in bepaalde gevallen vereist, bijvoorbeeld bij testamenten en wanneer de notaris dit verlangt.

– Ad-Hoc vertaler. Onze Notariswet is gebaseerd op de Nederlandse wetgeving. Een uitzondering is echter de figuur van de ad-hoc vertaler, die als een authentieke Surinaamse vinding kan worden beschouwd. Het bijzondere is dat aan de notaris de bevoegdheid is gegeven om per geval, indien dat nodig is, een tolk/ vertaler te beëdigen. Het speciale hiervan is dat hierdoor aan de notaris een bevoegdheid is verleend die voorheen alleen maar in handen van de rechter lag.

– Geen verplichte voorlezing van de akte. In de oude wet was voorlezing van de volledige akte verplicht gesteld. In de praktijk gebeurde dat echter vrijwel nooit. Thans is de notaris slechts verplicht een zakelijke opgave te geven van de inhoud van de akte. Uiteraard blijven partijen gerechtigd om de volledige voorlezing te verlangen.

Tuchtrecht

Eén van de belangrijkste wijzigingen betreft de tuchtrechtspraak. Deze is thans in handen van het Tuchtcollege voor het Notariaat. In de oude wet werd het tuchtrecht uitgeoefend door het Hof van Justitie (HvJ) als tuchtcollege. Dit was onbevredigend voor het notariaat omdat het Hof geen of weinig kennis droeg van de notariële praktijk. Het Hof moest onder andere beoordelen of een bepaalde door een notaris gepleegde handeling, in strijd was met de eer en waardigheid van het ambt. Dit laatste was eigenlijk het domein van het notariaat bij uitstek omdat de beroepsgroep in principe zelf bepaalt wat zij een ethische uitoefening van het beroep vindt. Het valt daarom toe te juichen dat het nieuw ingestelde tuchtcollege bestaat uit twee rechters en een notaris of oud-notaris. Het voorzitterschap is gelegd in handen van een rechter. De tuchtmaatregelen die aan een notaris kunnen worden opgelegd zijn:

a. Waarschuwing;

b. Berisping;

c. Oplegging van een geldboete van ten hoogste SRD 10.000,-;

d. Schorsing voor ten hoogste een jaar, en

e. Ontzetting uit zijn ambt.

Ook de kandidaat-notarissen vallen nu, anders dan voorheen het geval was, onder het tuchtrecht.

Overgangsrecht

Eén van de belangrijkste manco’s van de nieuwe wet is dat er geen overgangsregeling is opgenomen voor lopende tuchtzaken die in behandeling waren bij het Hof als tuchtcollege. De vraag is of uit de formulering van de overgangsbepalingen afgeleid mag worden dat lopende zaken nog door het HvJ afgehandeld mogen worden. Uit praktische overwegingen is deze uitleg het meest voor de hand liggend, echter moet beseft worden dat de WN 2019 expliciet stelt dat bij de inwerkingtreding van deze wet de oude WN is ingetrokken en derhalve geen werking meer heeft. Dit betekent m.i. dat het Hof als tuchtcollege thans een wettelijk bestaansrecht ontbeert. Als deze redenering juist is zou het Hof in de oude samenstelling niet meer over de lopende zaken mogen oordelen, maar zou deze moeten overdragen aan het nieuwe Tuchtcollege voor het Notariaat, dat echter nog niet bemenst is.

Het ontbreken van een duidelijke overgangsbepaling heeft in de praktijk voor problemen gezorgd. Er waren bij de inwerkingtreding van de WN 2019 verscheidene zaken die lopende waren bij het Hof als tuchtcollege. Een van de zaken die ook in de media is besproken, stond zelf reeds voor vonnis bij het Hof. Hoewel ons hoogste rechtscollege op dat moment geen wettelijke bevoegdheid meer had, heeft het Hof toch gekozen voor de praktische oplossing om vonnis te wijzen.

Mij lijkt er echter geen andere oplossing dan dat een stuk reparatiewetgeving moet worden gemaakt waarbij de omissie alsnog wordt recht getrokken.

Carlo Jadnanansing

error: Kopiëren mag niet!
%d bloggers liken dit: