Het andere uiterste van de economische diplomatie

De burgerij die oneerlijkheid moet tolereren en hulpeloos moet toekijken hoe de natuurlijke hulpbronnen worden verdeeld onder vrienden, terwijl zij zelf door het stof moet gaan voor een stuk bouwperceel, is niet te motiveren om van het land te houden en te doen wat goed is voor het land. Evenmin is het mogelijk dat een regering met trots haar regeerperiode evalueert en concludeert dat de overall productiviteit van het land is toegenomen. Hoe zeer wij dat ook willen, het land waar wij geboren en getogen zijn, is toch niet van ons zoals wij dat willen. Aan ons wordt door een aantal mannen en vrouwen gegund dat wij daarop een huis bouwen en op dit grondgebied wonen en werken. Voorlopig is dat bestaan nog vreedzaam en wanen wij ons in de veronderstelling dat er bescherming bestaat van staatswege. Dat laatste is nog niet beproefd en de Voorzienigheid behoede ons voor de dag dat het zover is en wij met de onaangename feiten worden geconfronteerd. Dat is een gunst dat aan ons gegeven wordt door een aantal mannen die volgens een zogenaamde democratie het recht hebben om besluiten te nemen over de natuurlijke hulpbronnen van het land. Een aantal burgers in dit land zal waarschijnlijk altijd vreemdeling zijn in eigen land. De populistische oproep van de president van Suriname ‘om van ons land te houden’ mist steeds doel. De oproep van de regeringsleider verliest elke dag haar glans en geloofwaardigheid. Veel burgers hebben het voorlopig voor lief genomen dat wij wonen in een land, waar er een complot bestaat van de politici die de beslissingen nemen en de politici die kritiek mogen geven tegen de groep van personen die in de grondwet aangeduid wordt als de ‘natie’ en populair aangeduid als het volk. De middelen van de natie, zij het de staatsinkomsten zij het de natuurlijke hulpbronnen, zijn de drijfveer voor veel politici in Suriname om politieke macht te verwerven. Politici die daarmee niet kunnen leven en daartegen ageren, vallen weg uit het systeem. Er zijn zowel in de tijd van de oppositie als in de tijd van de coalitie, vrienden, familieleden en financiers bevoordeeld met het aantrekken van goederen of diensten. Door beide politieke groepen is ook rigoureus omgesprongen met de natuurlijke hulbronnen: met vergunningen voor exploratie en exploitatie en met andere rechten als grondhuur op domeingrond. Veelal is ruim informatie over elkaar van beide partijen beschikbaar over aanbestedingen, onderhandse gunningen en verlenen van rechten op domeingrond. In principe is dat selectief loslaten van informatie over bevoordeling en corruptie een criminele daad in beschaafde landen. Er moet in Suriname een plicht bij wet in het leven worden geroepen om alle bekende (vermeende) daden van corruptie te rapporteren bij een bepaalde instantie. De politici die dan staan te zwaaien met papieren wanneer het ze goed uitkomt, lopen dan het risico om in de bak te belanden, wanneer ze informatie geheim houden voor politieke doeleinden.
De aanleiding voor het pessimisme is de aanhoudende trend van bevoordeling van intimi door politici in deze regering. En het gaat eraan toe alsof er geen morgen zal komen. We nemen het laatste schandaal over verrijking van vrienden door politici. Een persoon die niet onbelangrijk is voor deze regering krijgt naar verluidt in totaal 600.000 (0.6 miljoen) ha in exploratie/exploitatieconcessie. Suriname is in totaal 16.4 miljoen hectare groot. Deze concessie alleen is dus 3.7 % van de totale landoppervlakte van Suriname. Afgezet tegen de bosoppervlakte (14.8 miljoen hectare) komt het percentage neer op zelfs 4.1 %. Een ander voorbeeld is de cassavefabriek van Para. Waarom zaken pas goed gaan wanneer vrienden en familie erin betrokken zijn, is de vraag die hier opkomt. De ‘initiatiefnemers’ zijn een partner van een Buza-minister en een diplomaat die banden heeft met het land dat de cassavebusiness op het wereldniveau tilt. Wat ‘initiatiefnemer’ betekent, is niet geheel duidelijk. Het kan aan het ene uiterste zijn dat de persoon zich leent om in het management te zitten en aan het andere uiterste dat men voor de opzet van de fabriek eigen of op eigen verantwoordelijkheid aangetrokken kapitaal erin stopt. Als het gaat om een project, waarbij staatsmiddelen dan wel aan de Staat door een bevriende natie ter beschikking gestelde middelen worden aangewend, dan is het wel dubieus dat niet private personen die full time in de agrarische sector zitten de ruimte wordt gegeven om onder voorwaarden een bedrijf te starten, maar aan vrienden om met de winsten ervandoor te gaan. De aandelen van de diplomaat en de partner van een minister zijn immers fifty-fifty. Machines zouden afkomstig zijn uit een credit line met China. Het is heel vreemd dat in een project waarin de LVV-minister op de voorgrond moet staan – het gaat immers om agro-processing en lokale agrarische productie – de Buza-minister de lead neemt. Wat echter bewijst dat Suriname geen ontwikkelingsland, maar een derdewereldland is, is het feit dat in het project dat met staatsmiddelen wordt ondersteund, uitgerekend de partner van de Buza-minister betrokken is en geen bestaande ondernemers in de agrarische sector. En als het gaat om het bedrijf van een partner dan zijn autoriteiten heel snel om de mogelijkheden uit te buiten. Uit het geheel wordt geconcludeerd dat de buitenlandse missies niet bereid zullen zijn zaken voor ondernemers te regelen als die geen vrienden zijn. Gezegd wordt dat de fabriek een privé-initiatief is, maar hoeveel privégeld van de private personen erin is gestopt, is onbekend en niet bekendgemaakt. Wel is bekendgemaakt dat middelen uit een credit line erin zitten. De trend die nu gezet is, is dat alle ambassadeurs en diplomatieke vertegenwoordigers die in hun land een deal kunnen regelen, een deel van de koek krijgen en dat deze deals dan niet gaan via LVV, HI of TCT of een ander ministerie, maar via Buza. Die ambassadeur deelt de koek dan met iemand die door de Buza-minister wordt aangewezen. In DNA zijn vragen over dit project gesteld die niet zijn beantwoord. DNA-leden wilden weten op welk terrein het bedrijf is opgezet, welke kosten de overheid heeft gemaakt voor de voorbereiding van dit project en met welke middelen de machines zijn gekocht. Opvallend is dat een aantal oppositieleden in het project betrokken zijn en een minder kritische houding aan de dag leggen. Straks mag de partner van een coalitieleider dus ook directeur en aandeelhouder worden van een zeepfabriek dat met Indonesische hulp hier wordt opgezet. Het is af te keuren als de economische diplomatie inhoudt dat deals dienen ter verrijking van eigen vrienden en familie.
 

error: Kopiëren mag niet!
%d bloggers liken dit: