Maandag 16 juli 2018

Door de Presidentiele Nationale Reparatiecommissie Suriname (NRCS) is een heel belangrijke statement gemaakt met betrekking tot de geschiedenis van Suriname. De commissie is in het leven geroepen om het nationaal standpunt te bepalen wat betreft de kwestie van de herstelbetalingen (reparations) die inmiddels ook al voorkomt op de agenda van de Caricom. De voorzitter van deze commissie heeft een onthullend boek geschreven over de slavernij, de slavenhandel, de planatege-economie in Suriname en de winsten die gemaakt zijn door het Nederlands bedrijfsleven en de regering van Nederland. Hij heeft dit kunnen becijferen als econoom en het gaat om gigantische bedragen. Nu vraagt de commissie zich af of er een samenzwering bestaat tegen Surinamers van Afrikaanse afkomst. De vraag rijst wie allemaal onderdeel zouden zijn van die samenzwering. Recent is bij de herdenking van Keti Koti in Amsterdam, Nederland, de stad die het meest heeft geprofiteerd van de uitbuiting van de slaven (en de contractarbeiders) door de burgermeester van de stad aangegeven dat de Nederlandse Staat haar verontschuldigingen moet aanbieden voor haar slavernijverleden. Nederland heeft een slavernijverleden van behoorlijke omvang, maar het wordt doodgezwegen. Veel Nederlanders en vooral de jonge generatie is niet op de hoogte van het slavernijverleden van het land. Het komt niet openlijk voor in de geschiedenisboeken van het Europees land. Suriname is in 1975 een soevereine staat geworden, gedreven door het nationalisme dat zijn oorsprong kende in de jaren ’60 in Nederland. Uiteindelijk werden we onafhankelijk, maar we zaten inderdaad met geschiedenisboeken die niet vanuit ons Surinaams perspectief waren geschreven. Toen wij onafhankelijk werden in 1975, belette niemand ons meer om onze eigen geschiedenis vast te leggen voor het nageslacht. Het objectief schrijven van de eigen geschiedenis, met ups maar ook downs in de tijdslijn, is onderdeel van de emancipatie, dus om jezelf te ontdekken. De reis om onszelf te ontdekken hebben we nog niet ondernomen, we zijn nog niet eraan begonnen. Dat heeft te maken met de immigratie die nog voortduurt in Suriname. Het heeft ook te maken met de orale traditie van Suriname; Surinamers praten veel maar schrijven heel weinig. Dat is een enorm gebrek en verhindert de ontwikkeling van Suriname. De afkeer tegen het schrijven zien we ook bij het hoger geschoold kader. Dat maakt dat een heleboel zaken niet van de grond komen. De geschiedenis moet worden vastgelegd vanuit de Surinaamse optiek, maar wie zal het uiteindelijk doen? Zullen we een consultant uit het buitenland met buitenlands geleend geld vragen om het voor ons te doen? Wij zijn geen voorstander daarvan, maar de reparatiecommissie laat dat stukje ook onbesproken. In de saenzwering haalt de commissie aan het wegwissen of verdraaien van de geschiedenis van Afrika, waarbij men doelt op de Afrikaanse beschavingen en koningshuizen en de Afrikaanse schrift en litaratuur. Opvallend is dat de commissie ook noemt ‘de acceptatie van de verdeling in de demografische statistieken’, waarbij de commissie doelt op het verdelen van de met Afrika gerelateerde bevolking in Creolen en Marrons. Worden deze twee groepen bij elkaar opgeteld, dan zijn zij de grootste bevolkingsgroep. De vraag rijst wat voor voordeel er te behalen valt als door het samengaan het collectief groter wordt. De voordelen zijn er in geen enkel opzicht, omdat de huidige grootste bevolkingsgroep dat niet ervaart. Misschien doelt men ook erop dat door de demografische scheiding de groep wordt opgedeeld en zelfs tegen elkaar wordt afgezet in termen van tegenstellingen. Voor het geval dat zo is, achten wij de kans klein dat het leidt tot verlies of achteruitgang. Opmerkelijk is ook dat de commissie aanhaalt als zorgpunt een ‘bijna perverse mentale blokkade bij het omgaan met reparaties’. De vraag rijst bij wie de mentale blokkade zich manifesteert. Wij merken dat deze blokkade er ook is bij de groep van de nazaten van de slaven zelf. Er zijn velen onder hen die tegenstander zijn van reparaties en niet daaraan willen meewerken of de idee bestrijden. Bij de herdenking van Keti Koti in Amsterdam is de opmerking ook gemaakt dat de Nederlandse regering geen excuses wil maken, omdat dat de weg zou vrijmaken voor rechtszaken. De commissie beveelt dat de geschiedenis ‘onder het tapijt vandaan’ moet worden gehaald. ‘Ga terug in de tijd en haal die geschiedenis van onder het tapijt vandaan. Leg vast en draag het over aan het nageslacht. Herschrijf de geschiedenis vanuit een Surinaams perspectief’, is de oproep van de commissie. De commissie lijkt zich te distantieren van de uitvoering van de taak, wie zal het dan wel doen is dan de vraag. Dit distantieren heeft gemaakt dat we tot nu toe niet zijn begonnen. Bovendien moet niet onderschat worden dat binnen de Surinaamse gelederen er ook zware meningsverschillen bestaan over de geschiedenis en hoe die geschiedenis getypeerd moet worden. Denk maar aan december 1982.