Dinsdag 11 december 2018

Openbaar bestuur is niets meer dan de handen uit de mouwen steken. Gewoon doen wat accoordbevonden is en op uitvoering wacht. Die uitvoering mag zonodig in de vorm van het experiment geschieden. Want waar er gesproken mag worden over experimentele beleidsplanning, misstaat experimentele beleidsuitvoering geenszins. Ook voor bedrijfsmanagers is de gulden regel: gewoon doen wat het gezonde verstand zegt, wat in het belang is van de onderneming, het personeel, de aandeelhouders, de samenleving en het milieu. Fouten en misslagen in de uitvoering? Geen ramp. Omarm de mislukking, want de weerbarstige praktijk is nog altijd onze beste leermeester. Regeringsleider, ministers, publieke en bedrijfsmanagers op allerlei niveaus zijn, indien zij goed functioneren, personen die functioneel een bijzondere positie innemen. En goed functioneren in managementland betekent nog altijd de gedachten blijvend gericht houden op de toekomst. Wordt ons als volk een toekomstscenario voorgehouden dan moet dat tenminste een aanmoedigend perspectief bieden. Een uitnodiging tot nadenken, onderzoeken, zo mogelijk handelen, en geen oeverloos gepraat. Dromen over gigantische aardolievondsten en daarop een scenarioplanning baseren is geen absurditeit. Zo werken de visionairen. Met beide benen in het hier en nu op de grond blijven staan betekent immers stilstand. In beweging komen is verwant met dynamiek en flexibiliteit.Topmanagers maar ook bewindspersonen moeten omgaan met het ongemak dat veel van wat zij zeggen veelbelovend lijkt, terwijl veel daarvan in de praktijk niet of amper uitvoerbaar is. De fatalist juicht dat toe, de optimist ziet nog licht in de tunnel. In beleidsvorming is het soms nodig de fantasie de vrije loop te laten. De aanleg van spoorlijnen door Suriname blijft een zinvol aandachtspunt. Droombeelden komen vaak tot werkelijkheid. In het jaar 1956 zou de treinverbinding verdwijnen, om daarna nooit meer de aandacht te krijgen van bestuurders. En rept ooit iemand daarover dan is de spot drijven daarmee de enige reactie.

Wanneer wij met het gezonde verstand een discussie zouden willen voeren over het vraagstuk van de beloningsverhoudingen in ons land, zou dat zoveel stof tot nadenken opleveren dat het onmogelijk bij een eenmalige samenkomst zou kunnen blijven. Neem bijvoorbeeld deze vraag voor een moment in gedachten: moet de directeur van een departement of van een grote bankinstelling meer verdienen dan een ziekenhuisdirecteur? Wie draagt grotere verantwoordelijkheden? Bij welke van deze functies ligt het afbreukrisico op hoger niveau? Anders gevraagd: waar is het gevaar van tijdelijke of blijvende schade aan derden groter? Is het correct of niet dat de medicus een beter inkomen geniet dan de statisticus? Is het acceptabel dat de verpleegkundige minder of meer verdient dan de politiebeambte? Zo ja, welke rechtvaardigingsgronden zijn daarvoor aan te halen? In welke van deze functies is het afbreukrisico groter? Kan voor de vergelijkingen tussen beroepen verwezen worden naar een bestaande beroepenclassificatie in ons land? Of zijn wij zo gelukkig met slechts onze functieclassificaties? Ons statistiekbureau mag het zeggen. Op grond waarvan mag de leerkracht zichzelf rekenen tot de categorie der strategische beroepsgroepen? Hoe moet het begrip ‘strategisch’ hier dan worden opgevat? Strategische beleidsplanning en strategische functies zijn toch niet het exclusieve recht van een bepaalde sector ? Op grond waarvan zeggen sommige onderwijskundigen dat de Surinaamse onderwijsproblematiek zeer complex is? Reikt hun verstand in dit verband niet verder dan de problematiek die zich in het hier en nu voordoet? Kundige veranderaars dramatiseren hun beeld over de werkelijkheid toch geenszins? Wij houden voor een moment ook nog de recente opmerking van de onderwijsminister in gedachten over de bevoegde kleuterleidster die meer verdient dan degene met de mastersgraad. De overheid als werkgever moet niet uit het oog verliezen dat nationaal loonbeleid zich wel degelijk richt op horizontale belangenafwegingen. Dat wil zeggen dat loonverhoudingen ook in horizontale richting, over verschillende sectoren heen, evenwicht moeten vertonen. Dat leerkrachten tot een bijzondere beroepsgroep gerekend moeten worden kan niet beletten dat het taakgebied van de loodsdienst of van de luchtverkeersleiding ook van belang is voor de economie van het land. Dat het werk van de verpleegkundige van minder betekenis is dan het werkdomein van de leerkracht is reeds op grond van functieanalytische beschouwingen niet vol te houden. Het streven naar meer aanvaardbare inkomensverhoudingen in ons land is geen aandachtspunt van regeerders. Los van de grote verschillen tussen hoogste en laagste inkomens bestaat bij veel burgers een gevoel van onvrede met hun relatieve inkomenspositie, omdat zij daarin aantoonbaar bewijs vinden voor een onrechtvaardige maatschappij. En wij ervaren inderdaad veel maatschappelijk onrecht, niet slechts vanuit het gezichtspunt van het functieloon. Met meer aanvaardbare inkomensverhoudingen wordt overigens ook een goede basis gelegd voor meer spreiding van macht, kennis en zeggenschap. Het is goed dat wij elkaar erop wijzen dat omgaan met de vele maatschappelijke en bestuurlijke vraagstukken niet slechts een kwestie is van het louter in modellen, systemen, processen, technieken en methoden denken, doch dat ook de problemen in de sociale betrekkingen in de aandacht worden gesteld. Mensen creëren problemen in hun onderlinge relaties en het valt steeds weer op dat daarover maar liever gezwegen wordt. En juist daar liggen de oorzaken van onze aanhoudende probleemverschijnselen: niet met elkaar overweg kunnen. Wat de ene regering aan goede prestaties heeft neergezet, wordt miskend en veronachtzaamd door het volgende regime. Wie dit funeste verschijnsel niet kent, is een vreemde in eigen land.

Stanley Westerborg
Organisatieanalist