Maandag 25 september 2017

Er zijn twee opmerkelijke zaken die zich in de politiek hebben afgespeeld de afgelopen periode. In de eerste plaats is er het onaangekondigde bezoek van onze president aan Venezuela waar hij als een kleine jongen is behandeld. De president van Venezuela, noch zijn vervanger, en noch een speciale gezant had tijd en aandacht voor de president van Suriname. Het is een belediging voor de president van de Republiek Suriname dat hij niet eens door een minister kon worden ontvangen, alhoewel dat ook staatsrechtelijk en protocollair onjuist zou zijn. Maar het is de president zelf die zijn ambt in casu naar beneden heeft gehaald. De diplomatieke dienst had het bezoek goed moeten voorbereiden en de president zelf behoorde te beseffen dat het niet gaat om persoonlijke familiecontacten maar een officiële aangelegenheid. Wat moet een land doen wanneer een president van een bevriende natie onaangekondigd ‘eventjes’ voor de deur staat? Wanneer het ‘ontvangende’ land serieus respect heeft voor de gast zal het tot het uiterste gaan om de president toch met de nodige en gepaste egards te behandelen. In dit geval is dus daarvan geen sprake. Het is deze huidige politieke constellatie die zwaar had getild aan een moment toen Nederlandse politici de Surinaamse president Shankar lieten wachten op een stoep. Het werd hem kwalijk genomen dat hij het ambt van president van Suriname zo liet zakken. Nu is het dus een herhaling waarin wij een actievere rol hebben gespeeld. Toen werd de telefooncoup gepleegd, dat was de consequentie. Een heel opmerkelijke zaak overigens. Een andere opmerkelijke zaak is het bezoek van DNA-leden tussen 14 en 24 september in China ‘om een reeks van agendapunten door te nemen met het Chinees Nationaal Volkscongres’. De kosten van dit bezoek worden volledig gedekt door de Volksrepubliek China. De kosten worden betaald door een organisatie (Parlamericas) waar Suriname contribuerend lid van is. Dat maakt dat de dienstreis niet als omkoperij kan worden gezien, want in principe bekostigen de lidlanden de reis zelf door hun bijdrages. Er zou wel van omkoping van politici worden gesproken als een vreemde mogendheid een uitnodiging stuurt en de kosten ook draagt. Parlamericas is een organisatie waar Suriname al jaren lid van is. DNA-reizen die betaald worden door een vreemde mogendheid kunnen wel gezien worden als omkoperij, het wetgevend orgaan is dan niet meer zelfstandig, het is een verkapte vorm van een tjuku met verwachtingen over internationale politieke opvattingen en besluitvorming in VN-organen. Deze politici krijgen immers ook daggelden van een vreemde mogendheid. Uitgegaan mag worden dat hun moraal laag is door acceptatie van het aanbod, waardoor ze gevoelig worden voor corruptie. Opmerkelijk is dat DNA-leden op dienstreis gaan in de vakantie, dus wanneer de DNA op reces is. Reces betekent dat de parlementariërs hun parlementaire activiteiten on hold zetten om uit te rusten, het kan dus getypeerd worden als vakantie. Dienstreizen zijn niet anders dan het verzetten van de taken en bevoegdheden in een ander land tijdens bijvoorbeeld een bijeenkomst of een seminar. Het is niets anders dan werk. De visie over dienstreizen in Suriname is verdeeld. Een groot deel van de ambtenaren ziet de dienstreizen als snoepreisjes. Ondanks de vele dienstreizen die al dan niet betaald, worden verricht, zien we de effecten van de reizen niet. Suriname diende qua wettelijke, organisatorische en fysieke infrastructuur er anders uit te zien na de vele betaalde en onbetaalde dienstreizen die worden ondernomen. De ambtenaren – hoge en lage – komen in contact met experts van internationale organisaties, met functionarissen uit landen die op de verschillende gebieden veel sterker zijn dan Suriname en men behoort ook veel kennis op te doen die direct relevant is voor de problemen die de verschillende ministeries moeten oplossen. Op de dienstreizen behoort men de kennis, de netwerken en de inspiraties op te doen die bijdragen aan het oplossen van de verschillende niet complexe problemen in Suriname. Ook ziet men de organisatorische en fysieke infrastructuur van de landen en moest er daaruit een ‘gierigheid’ ontstaan om Suriname meer georganiseerd en mooier te maken. Deze zaken zijn vaak niet te merken na de dienstreizen. Al met al moet Suriname een beleid hebben wat de dienstreizen betreft en moet gekeken worden naar de directe output daarvan. De functionarissen moeten voordat ze vertrekken aangeven wat ze in Suriname zullen veranderen wanneer ze van de dienstreis terugkeren en binnen welke tijd dat zal gebeuren. Vanuit de regering moet worden gecontroleerd of men na terugkeer van een conferentie of een training inderdaad de doelen die men heeft beloofd, ook daadwerkelijk heeft gerealiseerd. Ook moet worden nagegaan welke verwachtingen men verwacht in ruil voor de dienstreis, dat is dan een snoepreis. De regering moet de natie niet binden aan politieke tegenprestaties in ruil voor dienstreizen als die niet passen in ons formeel buitenlands beleid.