Maandag 22 oktober 2018

De eerste en voornaamste reden waarom sinds 1975 alles bergafwaarts gaat en wij in een versneld tempo bezig zijn onze natuurlijke hulpbronnen in de uitverkoop te gooien is gelegen in het feit dat de politici van het creools nationalisme nooit geïnteresseerd zijn geweest in het bewerkstelligen van economische ontwikkeling. Veel heeft te maken met tribale etnische jaloezie en afgunst. Verder corruptie en incompetentie, twee sleutelwoorden bij het definiëren van de oude politiek.
Was het zo dat men niet alleen niet geïnteresseerd was in het bewerkstelligen van economische ontwikkeling, dus in het opbouwen van het land, vele politici van het creools nationalisme zagen in sectoraal gespreide economische ontwikkeling iets wat slechts in het voordeel van de Aziaten zou werken. De begrotingen sinds 1975 spreken boekdelen, de ontwikkelingsbegroting omvatte slechts overwegend door donoren gefinancierde projecten.

Er is sinds 1975 nooit een degelijk samenhangend ontwikkelingsplan geweest. Voor 1975 hadden wij het Tienjarenplan, en het Eerste en Tweede Vijfjarenplan welke allemaal opgemaakt zijn onder leiding van Nederlandse deskundigen. Het kiesstelsel en de grondwet van 1987 zet het creools nationalisme in de Driver’s Seat. Men heeft zich sinds 1975 derhalve slechts bezig gehouden met het opmaken van de begroting. Nu het falen van het creools nationalisme manifest is geworden geven hun vertegenwoordigers de schuld aan Nederland en aan andere politieke partijen.

De tweede reden is gelegen in het feit dat onze politici een schrijnend gebrek hadden en hebben voor wat betreft kennis en kunde met betrekking tot sociaaleconomische ontwikkeling, management organisatie en planning, en vooral met betrekking tot sectorale kennis, in het bijzonder met betrekking tot rendabele product markt technologie combinaties. Kennis omtrent ontwikkelingsfinanciering, projectvoorbereiding en beoordeling ontbrak. Men beschikte en beschikt slechts over theoretische kennis en dan nog zeer gebrekkig. Verder draagt men geen kennis van succesvolle ontwikkelingsstrategieën in andere kleine landen.

Spreekwoordelijk zijn de uitspraken van de directeur van het Planbureau in 1980 Henk Goedschalk en van minister Gregory Rusland van Natuurlijke Hulpbronnen. Beiden hadden veel geld in vreemde valuta tot hun beschikking de een van ontwikkelingshulp en de ander van Petrocaribe. Hun uitspraak was: “wat moeten we met zoveel geld doen” . Tekenend voor mensen die een positie ambiëren en nooit nagedacht hebben voor wat ze gaan doen als ze eenmaal in de betreffende positie verkeren. Nog erger academici die nooit nagedacht hadden over hoe hun land op te bouwen. Dit is het grootste gebrek in de opvoeding van onze studenten. Immers voor het vervullen van een leidinggevende functie en vooral voor een politieke functie in een land welke nog opgebouwd moet worden is een simpele academische opleiding niet voldoende. Een promotie biedt ook geen garantie. De mensen die het land geregeerd hebben sinds 1975 waren compleet onvoorbereid op hun voornaamste taak namelijk opbouwen van het land. Men schreeuwde wel van de daken dat men onafhankelijkheid wilde. In ontwikkelde landen is er een complete infrastructuur, kader deskundig kader welteverstaan en instituten die bestuurders helpen en bijstaan bij het uitoefenen van hun functie. In een ontwikkelingsland als Suriname dien je als bestuurder te beschikken over zowel technische deskundigheid als ook over capaciteiten op het vlak van management, organisatie en planning. Verder dien je inzicht te hebben in de werking van de economie. Bovenal dien je te beseffen dat je met gemeenschapsmiddelen bezig bent. En dus is onbaatzuchtig gedrag vereist en het bezit van moraliteit en van ethische normen. En in Suriname ook nog bezit van multiculturele flexibiliteit. Men had in 1975 compleet geen benul hoe je al die middelen zou moeten inzetten voor de ontwikkeling van het land. Geen deugdelijk ontwikkelingsplan, slechts mooie intenties, proza dus. Geen behoorlijke project voorbereiding en natuurlijk een magere project analyse en projectbeoordeling. Het probleem van Suriname is nooit geweest het gebrek aan geld. Ons probleem is altijd geweest onderontwikkelde politici en politieke leiders, en ondeskundig kader. Onze politici zijn grotendeels ambtenaren. In hun bewustzijn ontbrak en ontbreekt een blauwdruk over hoe men Suriname zou willen opbouwen en daarom zijn ze makelaars in de uitverkoop van Suriname gebleven.

Daarom is sinds de Tweede Wereldoorlog de mijnbouw de grote deviezen verdiener terwijl sinds het jaar 2000 de illegale informele sector de grootste deviezen verdiener is. Wij zijn net als pooiers en junkies. Hoe is dat zo gekomen. Onze politici hebben nooit willen investeren in high value added industrie. We zijn grondstoffenleverancier gebleven. We hebben vis maar we hebben geen visserij-industrie waar vis verwerkt en kant-en-klaar en of ingeblikt of in diepvries voor de internationale markt geproduceerd wordt. Onze visserijgronden worden leeggeroofd door voornamelijk buitenlanders. We hebben hout maar we hebben geen houtindustrie. Onze houtzagerijen produceren alleen ruw hout. Meubels worden grotendeels geïmporteerd, we hebben geen MDF-fabrieken, we hebben geen fabrieken voor de productie van kant-en-klare parketvloeren, van houtproducten met een hoge toegevoegde waarde. Ons bos wordt kaal gekapt door Chinezen en de opbrengst uit houtexport bedraagt een schijntje van de opbrengst bij verwerking tot high value producten door Suriname zelf. Ons beste hout wordt dus als het ware gratis weg gedragen. Zowel Venetiaan als Bouterse hebben het land uitgeleverd aan Chinezen.

We hebben goud maar geen eigen goudindustrie die goud industrieel mijnt, verwerkt en exporteert. Alle goud exportvergunningen zijn grotendeels in handen van een paar Chinezen, want die betalen immers de grootste tjoekoe. Een Chinees heeft 85% van de vergunningen onder verschillende namen in bezit. Surinamers van andere afkomst kunnen het vegen. Ik had in 1994 een goud rapport gepresenteerd aan de Ministerraad en daarin gepleit voor liberalisatie van de goudhandel. Maar een partij, de NPS, die was ertegen. Zulks vanwege hun specifiek Chinese belangen; meneer Sh. kreeg als gevolg hiervan van diverse kanten een kort geding aan zijn broek.

Tekenend is de amateuristische wijze waarop de overheid (NF en NDP) het project voor de uitbreiding van de Staatsolie raffinaderij heeft beoordeeld en goedgekeurd. Zodoende hebben wij meer dan 1.2 miljard Amerikaanse dollars geïnvesteerd in een raffinaderij. Na een grondige evaluatie komt men tot de slotsom dat Suriname minimaal vier maal de realistische prijs heeft betaald voor de raffinaderij. Particulieren in Guyana gaan een raffinaderij met een driemaal hogere capaciteit dan de onze, bouwen voor minder dan 200 miljoen Amerikaanse dollars. Logisch, het is hun privé geld. Terwijl het bij Staatsolie ging om gemeenschapsgeld welke in de zakken van enkelen verdwijnt.

Konklusie: onze politici hebben geen benul van efficiënte allocatie van middelen; wij weten dus niet hoe ons geld te investeren opeen wijze dat het een continue stroom van inkomsten genereert voor de toekomst. U bent arm want men heeft Uw geld gestolen. De twee mega mislukkingen met name het West Suriname project en het Staatsolie uitbreiding raffinaderijproject, en de gouduitverkoop projecten illustreren het faillissement van de oude politiek (NDP en NF). Het kenmerk van de oude politiek is incompetentie en corruptie.

Welke zijn de maatregelen om het tij te keren en ontwikkeling en welvaart en welzijn te bewerkstelligen volgt in een volgend gedeelte.

Richard B. Kalloe