Donderdag 23 november 2017

Vrijheidsdomeinen

27-08- 2017

Accountancy is een vrije bezigheid. Een ieder mag zich in deze branche vestigen. Overigens zeer ten onrechte. Consultancy is eveneens bewoner van het land van vrijheid. Iedereen mag daar consultant heten. En het gebeurt ook. Hoeveel boerenbedriegers onder deze beroepsaanduiding rondlopen over ons grondgebied zou de moeite van het onderzoeken waard zijn. Counseling valt ook onder de categorie ‘vrije beroepen’. En wat is nu die counseling? Welnu, gewoon een gewichtig woord voor: ‘een goed gesprek’ voeren. Aan de ene kant de counselor die een gesprekspartner heeft die tijdens het gesprek centraal staat. Iemand met een persoonlijk probleem, maar soms ook een praktisch vraagstuk dat persoonlijke gevolgen heeft voor hem of haar. Maatschappelijk werkers en therapeuten die in hun werkpraktijk veel met counseling te doen krijgen zijn van mening dat het hier een vakkundige aangelegenheid betreft, hoewel ook mensen met voldoende inlevings- en invoelingsvermogen uitstekende counselors kunnen zijn. Zij doen het soms zelfs beter. Wij bevinden ons met dit werk wederom in het liberale gebied: een ieder in ons land mag counselor heten. Een andere leuke job is ‘mediator’. Een woord dat afgeleid is van mediation. En uiteraard weer de vraag: wat is mediation? Kort gezegd: ‘conflictbemiddeling’. Dat is de essentie daarvan. Soms wordt ook gesproken van ‘conflicthantering’. In elk geval is mediation vakkundig werk. Niet een ieder kan als mediator worden aangewezen in een geschil of conflictsituatie. Herstel van vertrouwen in elkaar is in dit proces een essentieel gezichtspunt. Partijen moeten in beginsel wel bereid zijn een geëscaleerde situatie te herstellen. Hetgeen besproken is met de conflicterende partijen is vertrouwelijk en mag niet met anderen worden gedeeld. Belangrijk is dat de mediator nooit aanbevelingen zal doen die de spanning kunnen verergeren. Mediation is een proces dat soms langdurig kan zijn. In Suriname ligt mediation ten onrechte ook nog in het domein van de vrije beroepen. Het is specialistisch werk. En ordening van de maatschappij veronderstelt toch alleszins de bescherming van beroepen die specialistische kennis en vaardigheden vereisen?

Het is een goede ontwikkeling dat steeds meer burgers en organisaties zich druk maken over richting en inrichting van het onderwijs. Deze vergissing moet in elk geval vermeden worden: veranderings- en verbeteringsprocessen aanstonds op gang te willen brengen op het instrumentele niveau. Dat wil zeggen: op het niveau waarop de onvolkomenheden en gebreken zich in de dagelijkse werkelijkheid doen kennen. Daar waar de gehanteerde instrumenten niet goed functioneren. Daar waar misschien de verkeede instrumenten worden ingezet. Praten over klassegrootten, leer- en lesprogramma’s, lesroosters, meer en betere accommodatie, meer training en vorming van leerkrachten etc., zijn kwesties van instrumentele aard die in elke, op niveau zijnde discussie over het onderwijs, aan de orde komen wanneer over het onderwijs op functioneel niveau eenduidigheid bestaat. Onderzoek daarom, geachte overheid, welke functie het onderwijsbeleid concreet heeft temidden van alle overige beleidsterreinen van de overheid zelf, zulks ook toekomstgericht. Geef daarvan een nauwkeurige beschrijving, analyseer deze vastlegging probleem-georiënteerd vanuit alle essentiële invalshoeken. Betrek daarbij voldoende deskundigheid. Schematiseer deze relaties en verbanden en u heeft over de brede maatschappelijke functie en de problematiek van het onderwijs in Suriname een bruikbaar beeld. Vervolgens kan probleem- en oplossingsgericht verder worden gewerkt aan hetgeen van belang geacht wordt. Een proces dat duidelijk zal maken dat professionele beleids- en organisatieanalyse een onlosmakelijke tweeluik vormen. In het personeelsbeleid wordt ook gesteld dat dit beleid geen geïsoleerd bestaan in de organisatie mag leiden, doch een integrerend deel moet uitmaken van het algemene beleid. Dat wil zeggen dat het personeelsbeleid herkenbaar moet zijn in alle andere beleidsgebieden in de organisatie. En waaarom zou dit niet mogen gelden voor het onderwijsbeleid van de overheid dat zich in haar werking en uitwerking moet uitstrekken over alle andere beleidsvelden van de overheid, hetgeen alle maatschappelijke sectoren raakt? Wat regen betekent voor het plantenrijk, betekent opleiden voor een mensenmaatschappij. Is het dan zo verwonderlijk te stellen dat de private sector nadrukkelijk en permanent betrokken moet worden bij, in elk geval, de beleidsvorming op onderwijsgebied? Wanneer personen het hebben over de integrale aanpak van het Surinaamse onderwijs, richten zij hun gedachten dan slechts op de verschillende onderwijsniveaus, of hebben zij werkelijk het maatschappelijk veld in hun vizier waarop hun verlangen naar de geintegreerde benadering van het onderwijs betrekking heeft?

Geachte onderwijsminister, een beleefd verzoek aan u: kunt u de gemeenschap via de media duidelijk uitleggen wat volgens u onder ‘de geïntegreerde benadering van het onderwijs in ons land’ moet worden verstaan? Want juist deze vormen van diepgang in de vele beschouwingen missen wij als burgers nu eenmaal. Met bekende vragen als: ‘wat willen wij met ons onderwijs’ en ‘welke richting willen wij op met ons onderwijs’ raakt u stellig verzeild in nutteloze academische discussies. Ondergetekende doet andermaal een beroep op u een realistische en realiseerbare benadering van de onderwijsproblematiek voor te staan in stede van een concept dat zich op sterrenhoogte bevindt. Het rommelige verloop van het u bekende ‘BEIP-project’ moet zich niet in een andere macro-verschijngsvorm aan ons presenteren.

Stanley Westerborg
Organisatieanalist