Dinsdag 11 december 2018

Er is enkele maanden geleden een nieuwe landbouwminister aangetreden die minder in het nieuws is dan de vorige. Er is veel kritiek geweest op de vorige minister omdat hij meer aan het politiek bedrijven was dan het bevorderen van de landbouw. Ook deed hij de ene belofte na de andere, allemaal heel mooi klinkende, die geen van ze tot uitvoering werden gebracht. Die minister was bezig veel dromen te verkopen. Het grootste bezwaar tegen hem was dat hij de corruptie een hand boven het hoofd hield, een zaak die hem ook kritiek opleverde binnen de regeringspartij. De expansie van de landbouwproductie komt in Suriname niet van de grond of er zijn wel vorderingen maar ondernemers houden zich koest om zodoende de belastingen op een afstand te houden. Door de minister is een landbouwmasterplan aangekondigd dat ontwikkeld zou worden met Israel althans grote bedrijven uit dat land. Recent is in de media verschenen dat de landbouwminister bezig is met India en Indiase deskundigen heeft laten halen. De minister moet weten dat er binnen de Surinaamse regering een zekere houding bestaat tegenover Indiers en Indische ondernemers. Deze houding gaat terug naar de periode van de samenwerking tussen de VHP en de NPS en komt door politieke migratie en kleinschaligheid ook voor in de regeringspartij. Deze houding zorgde voor een behoorlijke ruzie binnen de IDCS en de teloorganng van deze organisatie. Suriname is in de Caribbean het meest onvriendelijke land wat betreft Indiers en Indiase ondernemers en dat is zo geweest vanaf de NPS-perioden. We hebben eerder geschreven dat Suriname Hollandse boeren moet aantrekken om hier de industriele landbouw en veeteelt op gang te brengen. Tijdens de jaarrede zei de president dat wat de visverwerking betreft, Suriname de grootste bedrijven in de Caribbean heeft en waarschijnlijk zitten we op dat gebied dus goed. De Doksenclub is zo een voorbeeld van een Hollandse ondernemer die hier in staat is om doksa’s op grote schaal volgens internationale standaarden te fokken en kweken, te verwerken, te verpakken en te exporteren. De Nederlandse boeren zijn gewend aan de grootschalige aanpak en ze zijn gewend aan de EU-normen die gebaseerd zijn op verantwoord omgaan met milieu, met de omgeving waar ondernomen wordt en met rechten van de werknemers. Met deze ondernemers is vanwege de gemeenschappelijke taal het gemakkelijker om te communiceren, waardoor ook de kennisoverdracht en kadervorming gemakkelijker tot stand kan komen. Door aanwezigheid van Nederlandse boeren kan gemakkelijk via formeel en informeel onderwijs lager, midden en hoger kader worden gekweekt en kan hun vorming middels projecten ook worden gefinancierd. Ook met Belgische boeren kan op dezelfde voet worden samengewerkt. De grote investeringen in de landbouw zullen zoals het schijnt niet komen van Surinaamse investeerders, omdat die op een andere manier gewend zijn om hun kapitaal te beleggen en risico’s te nemen. Dat geldt ook voor mensen die zich Surinaamse diaspora noemen. Bovendien zijn er geen goede voorbeelden voor hen om af te kijken. De wereldbevolking groeit, de welvaart groeit ook. De vraag naar vlees, zuivelproducten, vis, (exotisch) fruit en groente zal blijven bestaan. De Surinaamse regering moet de aansluiting van Suriname op het internationale goederenvervoer verbeteren. De vaargeul moet grondig worden aangepakt en er moeten manieren bedacht worden om transportkosten te drukken. De Surinaamse ambassades moeten ingezet worden om bedrijven naar Suriname te halen en het kabinet van de president moet strenger erop letten dat deze taak wordt uitgevoerd. Zo is het goed dat de ambassadeur in India zich ingezet om landbouwkader te identificeren voor Suriname. Maar het gaat ook om landbouwbedrijven. De regering moet haar visie met betrekking tot landbouw weer eens herhalen en duidelijk aangeven middels welke strategie men dat doel wenst te halen. De meningen namelijk over de mogelijkheden voor de landbouw op de internationale markt zijn verdeeld. Er zijn zogenaamde deskundigen uit de diaspora die beweren dat Suriname geen nadruk moet leggen op landbouwproductie maar ontwikkeling van landbouwkennis en dat verkopen. Dat zou meer opbrengen dan de export van landbouwproducten, al dan niet verwerkt. Wij hebben eerder aangegeven dat dit alleen uitvoerbaar is als er een toonaangevende landbouwuniversiteit in Suriname is die de beschikking heeft over miljoenen om nieuwe baanbrekende landbouwresearch te doen en ook de beschikking heeft over fulltime landbouwprofessoren die bezig zijn met onderzoek en kennisoverdracht. Deze diasporadeskundigen werpen een bal op maar kunnen hun ideeen in discussies niet lang verdedigen. Er is dus deskundigheid nodig die in het Surinaams belang de landbouwsector voor de wereldmarkt kan sturen. Het Surinaams belang is in de eerste plaats dat er werkgelegenheid wordt geschapen voor de jonge burgers die de schoolbanken verlaten en gezinnen willen stichten. En dat er goede lonen worden betaald zodat de mensen zichzelf en hun gezinnen kunnen onderhouden en kinderen tot minimaal een middelbaar school diploma kunnen begeleiden. Verder moet de landbouw en veeteelt zodanig zijn dat er geen duurzame schade ontstaat op het totale milieu dat Suriname bezit, dus relatief. Landbouwproductie gaat per definitie gepaard met vernietiging van tropisch bos. Het compenseert wanneer de bedrijven milieuprojecten faciliteren. De kunst is nu in elk geval aan de LVV-, HIT- en RGB-minister en uiteindelijk het kabinet van de president om de landbouwbedrijven binnen te halen. Zo was het nieuws van de mogelijke investering door Seven Stars Mining in laag-ijzer bauxiet in eerste instantie positief omdat o.a. 100 banen daar vrijkomen voor Surinamers.