Zondag 21 oktober 2018

19 februrari ook vieren: Dag van Boni

Morgen wordt de belangrijke Dag der Marrons herdacht in Suriname. Deze dag gaat terug naar 10 oktober 1760, naar de ondertekening van het vredesverdrag van 1760 tussen de Marrons van Suriname en de Nederlandse overheid. Niet alleen de Marrons dienen stil te staan bij de moedige strijd van de voorouders (van de nakomelingen van de Marrons) tegen onderdrukking en voor vrijheid, maar alle Surinamers. Deze strijd was zo heftig en effectief dat het het Nederlands koloniaale bestuur dwong vredesverdragen met de Marons te sluiten en daarmee hun vrijheid en menselijke waardigheid te erkennen. Aan de vooravond van deze dag gaan wij terug in de tijd en maken slechts 1 opmerking: de Staat Suriname en de Surinaamse regering moeten formeel meer aandacht schenken aan de helden die streden tegen de slavernij onder de Marrongelederen. Hun namen moeten vaker worden genoemd en mag niet verloren gaan. Hun schilderijen moeten een prominente plaats krijgen, in de voornaamste musea en ook in ons presidentieel paleis. Hun strijdbaarheid en trots zijn een voorbeeld voor alle Surinamers. De Marrons van Suriname zijn afstammelingen van Afrikanen die werden verkocht en tot slaaf werden gemaakt en verscheept naar Suriname. Daar bevrijdden zij zichzelf uit de slavernij en vestigden ze zich in het oerwoud. De Surinaamse Marrons zijn verdeeld in zes verschillende stammen. Tussen 1650 en 1830 brachten voornamelijk Nederlandse slavenhandelaren ruim 250.000 Afrikaanse slaven naar Suriname. Deze werden op plantages te werk gesteld, eerst door de Engelsen in de tijd dat Suriname nog een Engelse kolonie was (1650-1667), daarna door de Nederlanders. Zoals in alle plantagegebieden in de Nieuwe Wereld, probeerden ook de slaven in Suriname aan het ongewenste en vaak wrede slavenbestaan te ontsnappen door te vluchten. Vrijwel alle Surinaamse plantages lagen aan rivieren, met aan de achterzijde van het terrein moerassen en oerwouden. Jaarlijks vluchtten er ongeveer 250 slaven, wat neerkwam op ongeveer een half procent van de slavenbevolking. Tweederde keerde na verloop van tijd uit eigen beweging terug, omdat het harde en opgejaagde bestaan in het oerwoud toch niet vol te houden bleek. Marrons die in de bossen bleven gingen bij elkaar wonen, bouwden dorpen en trokken geleidelijk steeds verder het oerwoud in. De dorpen lagen vaak op strategische plaatsen en waren dikwijls omringd door houten wallen. Op de toegangswegen legden de Marrons valkuilen aan, gevuld met puntige staken. Rond 1730 begonnen zich op zeker vier plaatsen zulke Marronstammen te ontwikkelen. Tussen de rivieren de Suriname en de Saramacca formeerden zich de Saamaka; ten oosten van de Commewijne woonden groepen Marrons die te beschouwen zijn als de voorlopers van de Ndyuka; in het moerasgebied ten oosten van de Cottica woonden de Boni-Marrons of Aluku en tussen de Saramacca en de Coesewijne de Kwinti. Marron vrijheidsstrijders zijn onder meer volgens de online bronnen: Sipanyoo, Otyeï, Agidi Kadeti, Kofi Tyapaanda, Pakupaku, Aingé, Baai, Bayon Kwaku, Abonkiya, Adyáko Benti Basiton (m.b.a. Boston Bendt), Adoe, Alabi, Gbeku, Musínga, Boni en Broos. Alabi (1783-1820), ook bekend als Arabi, was een opperhoofd van de Saramaccaners, een stam van Marrons in Suriname. Adyáko Benti Basiton, ook bekend als Boston Bendt, was een slaaf die van Jamaica naar Suriname werd gedeporteerd. In Suriname onttrok hij zich aan de slavernij en vestigde zich in het woongebied van de Marrons, van waaruit hij in 1757 samen met andere Marrons de grote slavenopstand aan de Tempatikreek leidde. Op Jamaica had hij leren lezen en schrijven. Hij schreef pamfletten die de Ndyuka achterlieten bij aanvallen op plantages, en waarin zij de planters en het koloniaal bestuur lieten weten dat zij alleen zouden ophouden met hun vrijheidsstrijd als zij werden erkend als vrije natie. Later had Boston Bendt een belangrijke inbreng bij de totstandkoming van de vredesverdragen tussen de koloniale overheid en respectievelijk de Ndyuka en de Saramacca in 1760 en 1762. Hij plaatste kanttekeningen bij zes van de artikelen van het conceptverdrag van 1760 en bracht het verdrag terug van zeven naar negen artikelen. Kapitein Broos (1821-1880) was een Surinaams onafhankelijkheidsstrijder. Hij was de leider van het kamp van de zogeheten Bakabusi Nengre. Het kamp van Broos en zijn broer Kaliko (geboren in 1835) lag in de uitgestrekte moerassen aan de bovenloop van de Surnaukreek, een zijtak van de Surinamerivier. De Bakabusi Nengre hebben menigmaal strijd geleverd met de blanke kolonisten en plantagehouders. Na de emancipatie vestigden deze Marrons zich op de verlaten plantage Roorak. Er zouden naar verluidt drie families voortgekomen zijn uit dit kamp: Babel, Landveld en Deekman. Het meest tot de verbeelding spreekt echter de geschiedenis van Boni (ca. 1730 – 19 februari 1793). Hij was een vrijheidsstrijder in Suriname. Zijn vader zou een Nederlander zijn geweest die zijn moeder, een slavin, als minnares had en daarna verstootte. Zwanger vluchtte zij het bos in, naar de Marrons. Bij de Cottica-Marrons werd Boni geboren. In 1765 volgde hij Asikan Sylvester op als leider van de ‘Boni’s’ (nu: Aluku). Bekende medestrijders van Boni waren Baron en Jolicoeur. Talrijke aanvallen voerden ze uit op plantages in het oosten van Suriname, vooral in het gebied van de rivier de Cottica. Veel slaven sloten zich bij hen aan. Boni en zijn krijgers opereerden vanuit een groot fort met een 4 meter hoge muur in een moerasachtige omgeving in de kuststreek van Commewijne, genaamd Fort Boekoe. Met deze naam wilden zij aangeven dat ze liever tot stof zouden vergaan dan zich overgeven. Het fort was omringd door een moeras en voorzien van geweren en een kanon. Uiteindelijk werd Boni door verraad op 19 februari 1793 gedood door Bambi, een Aukaans opperhoofd, onder grote druk van luitenant Stoelman, commandant van de Redi Moesoes (vrijgemaakte slaven die tegen de Marrons vochten).