Woensdag 20 maart 2019

Enkele maanden geleden, om precies te zijn op 29 september 2018, had ik het genoegen om aan Jan Soebhag een exemplaar uit te reiken van mijn verzamelbundel “83 Recensies” in de Buitensociëteit Het Park te Paramaribo. Mijn bedoeling was om aan enkele personen die zich verdienstelijk gemaakt hebben op het gebied van de Surinaamse kunst en cultuur een symbolische vorm van waardering te geven. Jan was één van deze personen.
In deze bijdrage wil ik enkele punten naar voren brengen die hem naar mijn mening typeren.
Ik heb Jan leren kennen als een gedreven persoonlijkheid die het als een soort roeping beschouwde om te schrijven. Aanvankelijk hield hij zich bezig met de poëzie en gaf in 1982 een gedichtenbundel uit, Meri áwáz (mijn stem) onder het pseudoniem Suraj (zon). Michiel van Kempen vermeldt dat hij hierbij bijzonder geïnspireerd werd door de zanger Mukesh. Maar hij werd ook sterk beïnvloed door de hindi films en hun liederen met vaak dichterlijke teksten. Daarnaast heeft hij ook verscheidene prozateksten het licht doen zien. Hij heeft o.a. een boekje geschreven over het hindu huwelijk en twee kleine boekwerken met korte biografieën. Maar daarnaast heeft hij ook vele artikelen in de plaatselijke media gepubliceerd. Het zijn echter niet zijn poëzie en proza die Jan bekendheid hebben bezorgd. Hij zal vooral herinnerd worden als de stuwende kracht achter het tijdschrift Bhásá (taal). De eerste editie van dit tijdschrift verscheen op 1 december 1983. Na 10 jaar werd de uitgifte hiervan gestaakt mede door het vertrek van de stichtingsvoorzitter, Mustafa Nabibaks. In 2012 nam Jan het initiatief om het tijdschrift opnieuw leven in te blazen en wel in digitale vorm als kwartaalblad. Het periodiek werd kosteloos in binnen- en buitenland gedistribueerd en kon zich verheugen op een breed lezerspubliek. Met dit blad heeft Jan een blijvende bijdrage geleverd aan het onderzoek op het gebied van taal en cultuur in het algemeen, met vooral het accent op het Sárnámi en Hindi.
Daarnaast heeft hij zich verdienstelijk gemaakt als bestuurslid van de Culturele Unie Suriname (CUS). In verschillende besturen heeft hij een functie vervuld en zijn aanwezigheid was altijd prominent merkbaar. Het was bekend van hem dat hij geen ‘papierenbestuurslid’ was, maar een echte (veld)werker. Zulke figuren zijn er in ons land niet voor het oprapen. Tijdens zijn rouwrede op 12 februari 2019 te Sophiaslust, de laatste woonplaats van Jan, heeft de vicepresident van de Republiek Suriname, Ir. Ashwin Adhin, die zelf voorzitter geweest is van de CUS, lovende woorden geuit over de grote bijdrage die de overledene heeft geleverd aan de bloei van genoemde organisatie. Het is te hopen, en dat geldt vooral voor het blad Bhasa, dat er opvolging zal zijn, zodat de uitgifte ervan gecontinueerd kan worden.
Het streven van Jan was altijd om zich dienstbaar te maken aan de gemeenschap. Hij had daarom gekozen voor een ambtelijke loopbaan, waarin hij naar zijn mening zijn ambities het beste tot uiting kon laten komen. Hij was daarbij zo actief dat hem weleens gevraagd werd om een pas op de plaats te maken. Maar dat kon hij niet. Hij was en bleef een bezige bij.
Hij behaalde in 1991 een bachelorsgraad in Cultureel Vormingswerk aan de Academie voor Hoger Kunst en Cultuur Onderwijs in Paramaribo.
Voorts heeft hij op diverse ministeries gewerkt en daarbij leidinggevende functies vervuld. Laatstelijk was hij beleidsadviseur bij het Ministerie van Onderwijs, Wetenschappen en Cultuur. Ik heb zelf twee publicaties van Jan gerecenseerd, waarin ik mijn waardering voor zijn werk alsvolgt heb uitgedrukt:
De auteur heeft daarbij veel oorspronkelijk onderzoek gedaan, voornamelijk middels interviews van de door hem geportretteerde personen, allen met een Surinaams-Hindustaanse achtergrond. Hiermee heeft hij ongetwijfeld een bijdrage geleverd aan het vastleggen van informatie die voor de contemporaine (hedendaagse) Surinaamse geschiedenis van betekenis kan zijn, met de nadruk op de Hindustaanse diaspora. Vele cultuuruitingen die bij de nazaten van de Hindustaanse immigranten bestonden, maar inmiddels geheel of gedeeltelijk verdwenen zijn, komen in de korte levensbeschrijvingen aan de orde. Ik noem onder andere de Tajiyá-optocht bij de Shiitische moslims in ons land en de Katputli-ke-nác (poppenkastspel). Ook de vrijwel verdwenen Ahirwa-ke-nác (boerendans) wordt vermeld. En op sportgebied worden de stok- en zwaardgevechten, die men nog in sommige oude Indiase films kan zien, aangehaald.
De spelling volgens het Romaanse schrift van woorden uit het Hindí en het Sarnámi leidt vaak tot verwarring. De auteur heeft dit weten te voorkomen door gebruik te maken van de officiële bij Staatsbesluit vastgestelde spelling van het Sarnámi.
Beste Jan, we zullen jouw aanwezigheid als cultuuricoon node missen.
Áp ki átmá ko shanti mile (dat jouw átmá (ziel) opperste vrede moge verkrijgen!

Carlo Jadnanansing

Meer Binnenlands Nieuws