Vrijdag 24 november 2017

From A Distance

13-11- 2017

Op een zonnige zondagochtend, na een bezoekje aan de orchideeënmarkt bij de Cultuurtuin, kwam ik onlangs twee chique geklede, wat oudere dames tegen. Hun smaakvolle mantelpakjes met bijpassende hoofdtooi vielen op en ik raakte met hen in gesprek. Zij waren net op pad gegaan om het Evangelie te brengen aan wie er voor zou open staan. Ik zei hun moed en hun gedrevenheid te respecteren om de overtuiging waar zij voor staan verder te brengen en toe te lichten. Ik luisterde aandachtig naar hun uiteenzetting en kocht een van de boekjes die zij bij zich hadden. Op het voorblad van het boekje was een arcadisch tafereel afgebeeld van een glooiend landschap waarin lammeren zich tegoed doen aan het malse gras, maar waarin ook leeuwen doezelen onder de schaduw van een boom. In de verte zag men een herder met zijn kudde schapen. Idyllisch en zonder wanklank.

Aan de dames vroeg ik of zij de song ‘From A Distance’, van Bette Midler en veel gedraaid door religieuze omroepen wel eens gehoord hadden, wat zij beaamden. ‘From a distance – there is harmony – God is watching us – God is watching us – from a distance’. De indruk die het lied oproept wordt bevestigd, zei ik, door astronauten die hun rondjes rond de aarde draaien op zo’n achthonderd tot duizend kilometer hoogte. Zij zijn vrijwel zonder uitzondering verrukt over het langzaam onder hen voorbij trekkende panorama dat de diepblauwe oceanen, de groene zones rond de evenaar, de gravelkleurige woestijnen en de witte wolkenformaties bieden.

Vervolgens vroeg ik de ladies of zij het leuk vonden om eens in te zoomen op al het moois dat vanuit de ruimte is te zien. Laten we beginnen, stelde ik voor, met de zee die zich zowat vanaf de 70ste breedtegraad naar het noorden toe uitstrekt tot aan het zee-ijs van de Noordpoolkap. Als je dan afdaalt naar het water van die Noordelijke IJszee zie je ijsschotsen die zijn afgebroken van de gletsjers van het vasteland van Groenland, Canada, Siberië en Spitsbergen en in de zeestromingen op drift zijn geraakt. In het heldere blauwgroene water zien we tot onze verrassing een haai dicht onder het zeeoppervlak. Het is de enige haai die zich in dit ijskoude water van de Poolzee waagt, want hun soortgenoten prefereren zonder uitzondering warmere oceanen. Er is iets vreemds met deze haai. De jonge haai die uit het ei komt kan alles wat de jongen van andere soorten haaien ook kunnen. Maar dan opeens verschijnt er een klein krabbetje dat het heeft gemunt op de ogen van de haai. De krabbetjes lusten maar één ding: het hoornvlies van de ogen van de Groenlandhaai. De haai wordt al snel blind en blijft dat zijn hele leven. Alle Groenland-haaien – niet één uitgezonderd – worden blind.

We laten de Noordelijke IJszee voor wat hij is en richten ons ver naar het zuiden, tot een graad of vier boven de evenaar. Daar ligt aan de monding van de Surinamerivier de stad Paramaribo – welbekend bij de lezers van deze krant. We zoomen in op een chique woonwijk rond het Academisch Ziekenhuis en nog verder op een mooie villa met nog fraaier gazon, omzoomd met diverse soorten palmen. In de smaakvolle woonkamer is een hoek ingericht voor een jongeman van een jaar of veertig die in bed ligt. Al heel lang. Hij ligt daar roerloos want hij kan zich niet bewegen omdat hij de spierziekte ALS heeft, die hem vanaf zijn tiende jaar aan bed kluistert. Hij heeft het geluk dat zijn ouders bemiddeld zijn en dag en nacht optimaal voor hem kunnen zorgen. Zo heeft hij de beschikking over een computer die hij louter door oogbewegingen kan besturen. Door met een speciale bril naar de letters van het toetsenbord te kijken kan hij zijn gedachten op papier zetten.

We gaan nog ietsje verder naar het zuiden tot diep in het Surinaamse regenwoud met zijn grote diversiteit van flora en fauna. Op een van de bomen doet een rups zich tegoed aan het jonge loof van een boom. Maar dan verschijnt er een kleine zwarte wesp, nerveus trillend met haar vleugels, die om de rups blijft heen cirkelen. Het is een sluipwesp, die met één steek van haar angel de rups verlamt maar niet doodt. Ze legt een eitje op de rups en de larve die eruit komt zal zich dagenlang tegoed doen aan het verse, levende voedsel. De larve vermijdt zorgvuldig de vitale organen van de rups zodat voorkomen wordt dat die te vroeg sterft. Er is geen reden om te twijfelen aan de marteling voor de rups.

We buigen nu af in oostelijke richting, maar blijven niet ver van de evenaar. We zoomen in op het noorden van India waar in een woud een troep apen, het zijn hoelmans, zijn territorium heeft. Het dominante mannetje heeft, zolang het zich andere mannetjes van het lijf weet te houden, het alleenrecht op de vrouwtjes van de groep. Maar vroeg of laat neemt een ander, sterker, mannetje de harem over en het oude mannetje wordt verstoten uit de groep. Het nieuwe mannetje toont zijn liefde voor zijn nieuwe wijfjes door hun zogende jongen te doden. Na elke geslaagde moord houdt de melkgift van de moeder op waarna het wijfje weer open staat voor zijn avances. De ‘kindermoord’ als reproductie-strategie bij primaten (en bij tal van andere dieren) is in de vorige eeuw door de Amerikaanse primatologe Sarah Hrdy uitvoerig beschreven, leidend tot ongeloof en zelfs woede bij sommige lezers.

Vanuit de ruimte inzoomend op planeet Aarde kan nog veel meer verrassends gezien worden, maar niet bezongen door Bette Midler. Zwermen muskieten die rendieren onder de nooit ondergaande zomerzon van Alaska, Scandinavië en Siberië dwingen continu te rennen (vandaar de naam) om zich de parasieten van het lijf te houden. Op de steppe van Mongolië zien we de kleine verwanten van het Westerse paard gekweld worden door de paardenhorzel die haar eitjes legt op de huid van het paard waarna de larven ontstekingen veroorzaken aan mond, tong en maag. De maagwand zweert door en het paard krijgt buikvliesontsteking. We zien op de Afrikaanse savanne de dodelijke wedloop tussen het jachtluipaard en de gazelle waarbij de gazelle maximaal lijkt toegerust om aan het jachtluipaard te ontkomen terwijl anderzijds het jachtluipaard zal verhongeren als hij te langzaam blijkt om zijn prooi in te halen.

Werden jachtluipaard en gazelle uitgevonden door dezelfde ‘Watcher from distance’ ? En ook het krabbetje van de Groenlandhaai, de muskieten die de rendieren belagen en de ziekten die mensenkinderen voor het leven aan hun bed kluisteren? Dan rijst de onvermijdelijke vraag naar zijn motief. Moeten jachtluipaarden kunnen rennen om gazellen te vangen? En moeten gazellen even hard kunnen rennen om aan het luipaard te ontkomen? Het zijn verkeerde vragen zeggen de evolutiebiologen. Het nut van de vaardigheden van zowel de gazelle als het jachtluipaard schuilt in de overleving van hun DNA, in de genetische bestendiging van hun bestaan als jager en gejaagde.

Gaat het dus op onze gedetermineerde aarde louter om wreedheid, ongevoeligheid en zinloosheid? Bezien we het eens vanuit het perspectief van het moderne Darwinisme, dat de pracht, de diversiteit en het soms volmaakte en gecompliceerde van de natuur beschrijft. De overlevingsstrategie van het DNA levert tal van esthetische genoegens op zoals het baltsgedrag van korhoenders, prieel- en paradijsvogels, de kleuren van de koraalvissen en de schone vormen van tal van andere levende wezens. Maar die attracties hebben geen ander doel dan de bevordering van het nageslacht, zelfs indien dat nadelig uitpakt voor het individu, zoals de pauwenstaart.

‘From A Distance’ bleef, mede door de performance van Bette Midler en de fraaie melodie, lang in de top van de toenmalige hitparades. Maar het had een betere tekst verdiend. Die suggereert dat het leven door de interventie van de Watcher intrinsiek harmonieus, nobel en rechtvaardig is. Die suggestie kan onmogelijk deugen als het functionele ontwerp, inclusief dat van homo sapiens, berust op natuurlijke selectie. De dingen der levende natuur zijn maar voor één ding ontworpen: meer kopieën van jezelf aan volgende generaties doorgeven. Dat is onbetwist in de evolutiebiologie. Alleen eigenschappen die succesvoller zijn dan andere in de reproductie – vaak zelfzucht, egoïsme, gewelddadigheid, afgunst en wraakzucht – blijven behouden terwijl minder succesvolle, vaak humanere, het afleggen. Die succesvolle eigenschappen schuwen geen middel, hoe immoreel ook, om dat doel te bereiken. George Bernhard Shaw noemde die morele onaanvaardbaarheid van de natuurlijke selectie treurig en fatalistisch. ‘Het is een reductie van schoonheid en intelligentie, van kracht en doel, van eer en ideaal’ schreef hij.

Maar er gloort licht aan de horizon zoals – wederom – Edward Osborne Wilson, de grootste bioloog sedert Charles Darwin, ons leert. ‘Onze zelfkennis wordt bepaald door de emotionele regelcentra in de hypothalamus en het limbische systeem van de hersenen. Deze centra overspoelen het bewustzijn met alle emoties – haat, liefde, schuld, angst en andere – die ethici consulteren als ze de maatstaven van goed en kwaad zoeken. Wat, zo moeten we dan vragen, maakte de hypothalamus en het limbische systeem? Die evolueerden door natuurlijke selectie”, aldus Wilson. De conclusie moet dan ook zijn dat om ook ethiek, altruïsme, rechtvaardigheid, vergevingsgezindheid, mildheid, opofferingsgezindheid en al die andere nobele menselijke eigenschappen te verklaren we datzelfde eenvoudige biologische gegeven als leidraad moeten nemen. Met andere woorden: de evolutionaire algoritmen die vanuit eenvoudige structuren uiteindelijk de mens hebben voortgebracht, hebben die mens uitgerust met emoties als altruïsme, naastenliefde, zorgzaamheid en rechtvaardigheid. Zij hebben homo sapiens het besef van goed en kwaad gebracht en een vrije wil om te kiezen tussen beide. Hij is dan ook geen slaaf van die primaire evolutionaire algoritmen en kan die ontstijgen en er dwars tegenin gaan.

En ondanks de treurige conduitestaat van homo sapiens in de achter ons liggende millennia is er dan ook hoop dat zo’n redeloze en intrinsiek domme tegenstander als natuurlijke selectie het aflegt tegen de gesublimeerde menselijke strevingen het kwaad te omzeilen. Met Arthur Schopenhauer mogen we hopen dat ‘de dwerg door zijn intelligentie de Titaan op den duur aan zijn wil zal onderwerpen’.

Anton van den Broek (Jurist/Bioloog)