Vrijdag 20 april 2018

Ministers komen en gaan. De een doorloopt de ambtsperiode, de ander is er voor kortere duur. De een heeft het met tromgeroffel over de goede dingen die hij of zij heeft gedaan als bewindspersoon. De ander vertelt ronduit waar zaken misgingen. Waar de ondernemer zich tot zijn of haar klanten wendt om te vernemen hoe het geleverde product werd ervaren, vindt de bewindvoerder altijd voldoende redenen zichzelf neer te zetten als degene die veel tot stand heeft gebracht. Dit, terwijl je als burger, als belanghebbende, als belastingbetaler en als klant van de overheid zelf toch ook het recht hebt vast te stellen of er inderdaad kwaliteitswerk is afgeleverd door de (gewezen) beleidsmaker. Zelden of nooit zal de openbaar bestuurder toegeven dat die zich niet voldoende in staat achtte de taken naar behoren te kunnen vervullen. Bekwaamheid, kundigheid, doortastendheid, takt, inlevingsvermogen, creativiteit, inventiviteit, gaat u zo maar verder, vast geen persoonlijke eigenschappen die een ieder met de wind mee krijgt. In het zakelijke bedrijfsleven zal de onderneming, naarmate zij omringd is door een turbulente omgeving vol onvoorspelbaarheden en risico’s, geleid moeten worden door de manager die het kronkelende pad naar bedrijfssucces weet te volgen maar die ook in zijn leiderschapsrol zijn personeel die waardering toekent die haar ook werkelijk toekomt. Het is de tegenwind die de vlieger omhoog stuwt. Gaat de wind liggen, dan daalt de vlieger geleidelijk aan. In die tegenwicht biedende kracht zit ook de concurrentie. Gelukkig maar. Want waar die ‘countervailing power’ niet voelbaar is, zal de monopolist zich veel minder behoeven te bekommeren om de ontevreden klant, die immers geen keus, geen alternatief heeft. Zou dit misschien de grondoorzaak kunnen zijn van de vele misslagen en onvolkomenheden van onze werkers in de publieke sector? Zij die met hun politieke of ambtelijke status, met hun wetten in de hand en met hun bevoegdheden de openbaarheid betreden om met noeste ijver te trachten de goede zaak voor het publiek te dienen? Want die overheid heeft toch merkbaar geen concurrentie te duchten? En zit die noeste ijver inderdaad in de kern van de intenties en rolopvatting van regeerders, ambtenaren en managers van staatsbedrijven? En ook in de kern van hun taakopvatting? Want ook deze deugden komen ons als werkers, op welk niveau dan ook, niet aangewaaid. Hoe dikwijls zien wij onze bestuursopzichter, zich langzaam voortbewegend in onze woonomgeving, doende de situatie in zijn of haar verzorgingsgebied met de nodige regelmaat van nabij in ogenschouw te nemen? Dat was voorheen toch het bekende beeld? En onze buurtmanager dan? Schiet de naam van uw buurtmanager u te binnen terwijl u deze regels leest? Waarschijnlijk niet. Dat komt stellig hierdoor, dat onze buurtmanagers zich tot heden de essentie van het manager zijn niet voldoende hebben eigen gemaakt. Misschien een onvriendelijke noot, maar van de buurtmanager wordt in elk geval niet verwacht dat die het verzorgingsgebied binnenkomt louter naar aanleiding van klachten, burenruzie, ordeverstoring of anderszins. De vereiste inzichten om een goede bedrijfsmanager te wezen liggen niet op de straatstenen voor het rapen, komen niet aangewaaid, doch worden langs wegen van de geleidelijkheid gecultiveerd. De succesvolle bedrijfsmanager weet daar alles van. Zo dient ook de buurtmanager zichzelf geleidelijk aan te kneden tot de vertrouwenspersoon van diens doelgroep. Die status komt hem of haar niet aangewaaid. Met de frequente mutaties op ministerieel niveau komen nogal wat commentaren en opmerkingen op de gemeenschap af. Waar de ene regeringsleider er geen moeite mee heeft dat een minister het ambt merkbaar niet naar behoren kan vervullen, maakt de andere regeringstopman daar korte metten mee. Hoe dikwijls hebben wij als burgers het toch moeten accepteren dat niet voor hun taak berekende ministers zich desondanks verzekerd wisten van het doorlopen van de formele ambtsperiode? Iemand een trap na geven is niet netjes. Maar moet soms niet van deze regel afgeweken kunnen worden? Want stelt u zich het maar eens voor dat ongeschikten, in de ministerspositie komende, op wat routineachtige verrichtingen na niets tot stand brengen en die nochtans vele jaren van hun leven blijvend zullen profiteren van de geneugten van het politieke ambt. De onlangs benoemde bewindvoerders zullen samen met hun overige collega’s voor de rest van de regeerperiode volgens de regels van het resultaatgericht werken aan de slag moeten. Zij zullen vanaf nu de beleidsintenties veel meer middels projectmatig werken tot werkelijkheid moeten brengen. Dat is gezegd. Hadden de ministers wie de wacht is aangezegd, deze verplichting dan niet? Zijn niet juist projectplanning en projectmanagement in het overheidsbeleid zo nadrukkelijk van belang voor effectief overheidsbestuur? Verandert de complexiteitsgraad van het ministersambt met het voortschrijden van de tijd? Bestaan makkelijke en moeilijke beleidsjaren voor ministers? Goed overheidsbeleid is toch altijd gecompliceerd? Opmerkelijk is dat de regeringsleider best tevreden is met geleverde prestaties door de recentelijk vervangen ministers. Zou een tevredenheidsonderzoek onder de burgers niet juist het tegendeel aan het licht brengen? Bewindspersonen moeten minder vertellen wat zij vinden over vraagstuk x of vraagstuk y. Zij moeten prestaties neerzetten. Wie steeds ‘vindt’ heeft geen behoefte meer aan het ‘zoeken’. En juist het onderzoekwerk is voor het overheidsbeleid van doorslaggevende betekenis. Het onderzoeksdomein is nog altijd ook het ontwikkelingsdomein voor universitair afgestudeerden. Hun professionele vorming komt hen immers ook niet aangewaaid. Zij moeten zich daarvoor toeleggen op beleidsonderzoek.

Stanley Westerborg
Organisatieanalist