Vrijdag 23 februari 2018

Het Surinaamse regenwoud kent, zoals alle regenwouden op onze planeet, een overvloed aan bomen, struiken en andere planten. Dat komt omdat de omstandigheden voor hun groei daar beter zijn dan waar dan ook op aarde. De jaarlijkse neerslag is er minstens 2.000 millimeter en omdat het woud zich meestal in de gordel rond de evenaar bevindt is de zonnestraling er maximaal. Die gunstige omstandigheden hebben er toe geleid dat geen plantengemeenschap op de wereld een grotere diversiteit van soorten heeft dan het tropisch regenwoud. Die rijkdom trekt een bijna even grote diversiteit aan dieren aan, waarvan het overgrote deel insecten.

Vrijwel alle dieren in het regenwoud zijn voor hun voedsel direct of indirect afhankelijk van planten, maar ook zijn veel planten afhankelijk van dieren voor hun voorplanting – hetzij door bestuiving of door verspreiding van de zaden in hun vruchten. Een enkel maal zijn het juist de planten die ‘vlees eten’ zoals bekerplanten die in hun ‘bekers’ insecten of soms zelfs kleine reptielen of zoogdieren vangen.

Maar het meest bedreigend voor bomen en planten is vraat van insecten. Die kan soms zulke vormen aannemen dat het de plant volledig te gronde richt. Dat heeft in de loop van de millennia geleid tot ‘strategieën’ van bomen en planten om zich te weer te stellen tegen hun dreigende ondergang als gevolg van de eetlust van insecten (met ‘strategie’ is uiteraard niet bedoeld de planmatige doelgerichte menselijke werkwijze, maar het evolutionaire algoritme dat beter aangepaste planten grotere kansen biedt op overleving en voortplanting).

Insecten in de tropische wouden worden niet gedecimeerd door strenge winters met temperaturen van soms ver onder nul zoals de gematigde zȏnes en de sub-polaire regio’s op aarde die kennen. Ze kunnen zich ongestoord het gehele jaar door blijven vermenigvuldigen en soms veel groter worden dan hun verwanten in genoemde zȏnes. Deze ongelimiteerde proliferatie van insecten vraagt tegenmaatregelen van bomen en planten. Het uitgebreide arsenaal aan chemisch wapentuig waarvan de meeste regenwoudplanten en -bomen zich bedienen vormt het voornaamste antwoord op de insectenvraat. Maar door het ontwikkelen van chemische afweerstoffen door een bepaalde plant zal ook het insect dat belust is op die plant evolueren en chemische stoffen ontwikkelen die hem immuun maken voor die chemische stoffen. Zo ontstaat als het ware een wedloop tussen planten en insecten in het produceren van steeds nieuwe chemische verbindingen. Er zijn nog tal van andere methoden voor planten om kwetsbaarheid voor insecten tegen te gaan zoals maximale verspreiding en de vorming van steeds nieuwe (onder)soorten.

De aanwezigheid van allerlei soorten chemische stoffen in bladeren van bomen en planten die dienen als afweermiddel tegen insecten heeft in de loop van de menselijke geschiedenis geleid tot het idee dat die chemische stoffen ook wel eens nuttig zouden kunnen zijn bij het bestrijden van kwalen waardoor mensen getroffen worden. De toepassing van die stoffen berustte op een mengeling van empirie en mythologie. Systematisch onderzoek ontbrak en men trachtte de ‘door de Almachtige geschonken’ kruiden te sorteren met behulp van de zogenaamde ‘signatuurleer’. Die houdt in dat er gezocht wordt naar gelijkenis tussen een plant of deel daarvan en het zieke orgaan. De walnoot gold bijvoorbeeld als probaat middel voor de behandeling van hersenziekten. Behaarde planten zouden helpen tegen kaalhoofdigheid, de knolletjes van speenkruid tegen hemorroïden (aambeien), niervormige bonen tegen nierziekten en dergelijke (het leek in die zin wel wat op de astrologie, waarbij aan de puur toevallige en arbitraire configuratie van hemellichamen dienovereenkomstige menselijke eigenschappen worden toegedicht !). En ofschoon de oude kruidenboeken een groot assortiment aan ‘geneeskrachtige’ kruiden beschreven duurde het tot 1815 alvorens een Duitse apotheker voor het eerst uit een plant een werkzame stof isoleerde: opium: het melksap van de papavervrucht. Enkele decennia later konden er een stuk of dertig werkzame plantenbasen (alkaloïden) uit de plant worden geïsoleerd zoals cafeïne, kinine en nicotine. Daarmee kon in elk geval het doseringsprobleem worden opgelost. Voordien was meestal of sprake van een te hoge, dus schadelijke dosering of te lage, dus onwerkzame dosering. Als kruidengeneeskunde al eens ‘hielp’ kwam dat meestal door suggestie of door het feit dat veel kwalen vanzelf weer overgaan.

De ontwikkeling van de chemie en de farmacologie maakte de ‘kruidenleer’ geheel en al overbodig. Plukte de ‘kruidendokter’ van een groot aantal planten de blaadjes om door ‘trial and error’ na te gaan of een van die blaadjes door louter toeval wel eens zou kunnen helpen tegen diabetes (suikerziekte) – de farmacoloog analyseert op systematische en wetenschappelijke wijze het door de alvleesklier gemaakte hormoon insuline op zijn samenstelling en maakt die vervolgens in het laboratorium na, zodat patiënten met een niet goed werkende alvleesklier de noodzakelijke dagelijkse dosis insuline toch toegediend kunnen krijgen.

De huidige oplevende belangstelling voor de kruidengeneeskunde berust op een simpel ‘terug naar de natuur’ -sentiment waarop de producenten van ‘alternatieve geneesmiddelen’ gretig inspelen door hun produkten een pseudo-wetenschappelijk sausje te geven. Adepten van de kruidengeneeskunde geven vaak af op het ‘chemisch’ karakter van reguliere medicijnen, waarbij zij vergeten dat ook de veronderstelde ‘werkzame’ bestanddelen van plantendelen op pure chemie berusten, geëvolueerd als ze uitsluitend zijn om de plant tegen insectenplagen te beschermen en niet om menselijke ziekten of kwalen te bestrijden.

Anton van den Broek (jurist/bioloog)