Maandag 25 september 2017

In DNA is op eigen initiatief een initiatiefvoorstel krachtens artikel 78 van de Grondwet ingediend ter wijziging van het Decreet Beginselen Grondbeleid (DBG). Deze voorgenomen wijziging draagt de naam Wet Beschermde Dorpsgebieden (WBD). Deze wetswijziging heeft de bedoeling om een aanzet te geven ter regulering van de landrechten / grondenrechten van de inheemse en tribale volken. De wet heeft volgens de initiatiefnemers het karakter van ‘een voorlopige voorziening in de eerste fase in het totale proces van de complexe regeling van het grondenrechtenvraagstuk van de bewoners van het binnenland’. We zeiden al eerder dat de rechten van de ‘Bosnegers en de Indianen’ al in 1982 waren erkend in het DBG. Deze groepen zullen anders aangeduid worden. De directe aanleiding voor deze wet wordt gevormd door de ingezette trend waarbij door de regering steeds vaker gronden worden toegewezen in de nabijheid van bewoonde dorpsgebieden in het binnenland, zonder dat de bewoners van de betreffende gebieden hierin vooraf zijn gekend, zeggen de initiatiefnemers in het wetsvoorstel en zij hebben gelijk. De nadruk ligt dus op het woord ‘vooraf’. Buiten hen om worden gronden uitgegeven aan personen zowel van buiten als van binnen deze gebieden, waarna onder meer ontbossings- en/of mijnbouwactiviteiten worden uitgevoerd. Hierdoor worden de bewoners in algemene zin bedreigd in hun dagelijks bestaan, zeggen de initiatiefnemers verder in de toelichting. De bewoners leven in toenemende onzekerheid wat betreft de ontwikkelingen in hun gebied en er ontstaan spanningen binnen de gemeenschap waardoor de veiligheidssituatie wordt aangetast. De BWD voorziet in een bescherming van de gebieden gelegen rondom de bij RO reeds bekend zijnde en geregistreerde dorpen. Praktisch gezien, zal deze wet onder meer inhouden dat er geen nieuwe rechten binnen de beschermde dorpsgebieden worden uitgegeven. Ook zal het betekenen dat niet-actieve rechten, concessies of andere rechten die niet voldoen aan de vergunningsvoorwaarden van rechtswege vervallen. De politiek vindt het grondenrechtenvraagstuk complex, kennelijk door de verschillende belangen van politici en vrienden in deze gebieden. Als eerste stap wordt een uitgifte- en vergunningenstop voor de beschermde gebieden geïntroduceerd, ‘om zodoende een zekere rustperiode te creëren, waarbij de bewoners niet het risico lopen dat in hun gebieden nog meer gronden worden uitgegeven en zij worden geconfronteerd met voldongen feiten’. In een volgende fase moet de grondenrechtenkwestie aan de orde komen, in nauw overleg met de vertegenwoordigers van het binnenland en de samenleving in zijn geheel. Waarom ook de ‘samenleving in zijn geheel’ uitdrukkelijk moet worden betrokken, is niet geheel duidelijk. We hopen niet dat men ervan uit gaat dat men een etnische groep aan het bevoordelen is, omdat de grondenrechten niet gaan om etniciteit. Omgekeerd gebeurt overleg overigens ook niet. Het wetsvoorstel geeft aan dat in de volgende fase de vereiste wettelijke voorzieningen in orde gemaakt zullen worden, alvorens te komen tot de daadwerkelijke oplossing van de grondenrechtenproblematiek. Het gaat in eerste instantie om de geografische afbakening en officiële erkenning van alle dorpsgebieden en nederzettingen met inbegrip van de traditionele leef- en woongebieden van de in stamverband wonende en levende Surinamers en vervolgens de toewijzing aan hen van de gronden. Tot het zover is, worden er, zoals eerder gesteld, in de tussentijd geen rechten uitgegeven.
Het DBG bepaalt, dat bij het beschikken over domeingrond de rechten van in stamverband levende Surinamers op hun dorpen en gebieden worden geëerbiedigd, voor zover het
algemeen belang zich daartegen niet verzet. Onder de term “algemeen belang” wordt volgens het
tweede lid mede verstaan de uitvoering van enig project binnen het kader van een goedgekeurd
Ontwikkelingsplan. Een nieuwe bepaling geeft aan dat dorpsgebieden van de in stamverband levende Surinamers als beschermde dorpsgebieden ter oriëntatie aangegeven worden op de figuratieve kaart in de bijlage behorende bij de BWD. RO houdt de actuele lijsten van de dorpen bij. In aantal gaat het om ca. 54 inheemse dorpen en ca. 183 andere dorpen van in stamverband
levende Surinamers, welke bij RO geregistreerd zijn. De vraag rijst door wie ze zijn geregistreerd. Het betreft hier bewoonde plaatsen in het binnenland aangeduid met o.a. de benaming dorp of dorpu, kondre en kampu zegt de toelichting. Waarmee de wet wel rekening moet houden is het fundamentele concept van zelfidentificatie; het zijn niet regeerders die bepalen wat een inheems of tribaal dorp is, maar de gemeenschappen zelf. Wat betreft de methode van locatiebepaling van de beschermde dorpsgebieden met een straal van 10 jaar
rekening gehouden met krutu oso’s, woningen, hutten, scholen, medische posten, recreatiezalen,
begraafplaatsen, aanmeerplaatsen en overige voorzieningen. Als algemeen criterium om aangemerkt te kunnen worden als beschermd dorpsgebied geldt volgens het wetsvoorstel, dat in stamverband wonende en levende Surinamers daadwerkelijk wonen in het betreffende dorpsgebied, ter plaatse worden aangetroffen en geleid worden door lokaal traditioneel gezag. Andere indicaties kunnen zijn de aanwezigheid van bepaalde voorzieningen als onderdeel van een functionerend dorp (huizen, hutten, recreatiezaal, luutu oso’s, begraafplaats, enz.). Er is een nieuwe bepaling die aangeeft dat bij aanvragen van domeingrond en concessies in de omgeving van dorpen rekening wordt gehouden met de grenzen van het beschermd gebied. De aanvragers dienen bij de aanvraag een door het GLIS vastgestelde kaart te overleggen waarop duidelijk is aangegeven op welk gebied de kaart betrekking heeft. De wet voert voorafgaand overleg met en goedkeuring van de betrokken dorpsgemeenschap in met betrekking tot concessies etc. die onderdeel zijn van een project uit het ontwikkelingsplan. Wat de wet duidelijk moet aangeven ook is dat in de beschermde gebieden economische activiteit mogelijk is, maar volgens duidelijke procedures waarbij inspraak van de gemeenschappen van belang is.