Dinsdag 21 mei 2019

Er is weer een beetje ruis rondom de centrale bank. Er is een bekende ondernemer benoemd als president-commissaris van de centrale bank. Door de vereniging van bankiers is instemmend gereageerd met deze benoeming en is zelfs verklaard dat men ingenomen is met deze benoeming. Dat zou te maken hebben met de jarenlange betrokkenheid van betrokkene bij het financieel gebeuren in Suriname. Met ondernemers blijven er altijd risico’s kleven aan benoeming in publieke functies, zolang men betrokken is in de onderneming. Bij bedrijven draait het om het winstoogmerk: de intentie om winst te maken. Bedrijven zijn door de verdergaande mondialisatie terecht gekomen in een situatie die bedreigingen in de vorm van concurrentie oplevert. Ook levert het kansen op zoals toeristen die speciaal of ook komen om inkopen te doen. Elke kans die men als ondernemer grijpt om winst te maken, wordt aangegrepen. Want de kansen die er nu zijn, die hoeven er morgen niet te zijn. Ondernemers kunnen bevangen worden door een zwakte en kunnen vervallen in een overtreding van de wet of het aanwenden van invloed om in aanmerking te komen voor vrijstellingen. Of om in aanmerking te komen voor overheidsopdrachten om goederen of diensten te leveren of werken tot stand te brengen. Nu is er een stuk op facebook waaruit moet blijken dat aan het bedrijf van deze ondernemer er ontheffing van invoerrechten is verleend voor het importeren van handelsgoederen. Dat is precies een vorm van gevaar waarvoor men bang behoort te zijn bij het benoemen van ondernemers in publieke functies. De ondernemers zelf gaan niet inzien dat ze door misbruik te maken van hun positie, zichzelf onterecht laten bevoordelen. De uitdrukking ‘oneerlijke concurrentie’ is gevallen. Elke ontheffing van invoerrechten betekent dat de Staat minder aan inkomsten overhoudt. Deze inkomsten worden gebruikt bij het financieren van de begroting en het uitvoeren van een sociaaleconomisch beleid. Suriname heeft te maken met verminderde staatsinkomsten door teruggevallen staatsinkomsten. Er is geen ruimte om voor reguliere handelsgoederen vrijstelling te geven aan ondernemers, vooral niet wanneer het gebeurt op basis van willekeur. Het vrijstellen van importheffing gebeurt altijd met een bepaald oogmerk. Het moet bijvoorbeeld zijn voor het importeren van productiegoederen. Want met de productie en de export verdient men de vrijstelling dubbel en dwars terug. Het is een handige investerings- en productie incentive. Verder kunnen vrijstellingen worden gegeven om humanitaire overwegingen, dus zodat het lijden van de mens in het land wordt verkleind. We denken dan aan de import van medicijnen en medische artikelen en van basisgoederen voor levensonderhoud. We zien dat er soortgelijke incentives ‘zonder aanzien des persoon’ zijn gegeven, maar de regering nooit is nagegaan wat de impact van deze vrijstellingen zijn geweest. Bijvoorbeeld, er was eens een vrijstelling op ICT-middelen, maar heeft dit geleid tot betaalbare computers? Wie heeft geprofiteerd van de vrijstelling? In elk geval moet er zeker voor worden gewaakt dat er geen misbruik wordt gemaakt van connecties met de regering.
Volgens de Bankwet bestaat de raad van commissarissen van de centrale bank uit ten minste drie en ten hoogste zeven leden. Daaronder bevinden zich de regeringscommissaris, de directeur van Financiën en de directeur van Handel en Industrie en ten hoogste vier leden, door de regering te benoemen op voordracht van de Financiënminister, na gepleegd overleg met de president van de bank. De leden van de regering in de raad van commissarissen worden benoemd voor een periode van twee jaren. Zij zijn na hun aftreden terstond opnieuw benoembaar. Commissarissen genieten een bezoldiging welke wordt vastgesteld door de regering. De taak van de raad van commissarissen is toezien op het beheer van de bank. Bij de vervulling van hun taken richten de regeringscommissaris en de commissarissen zich naar hetgeen het belang van de bank vereist.
De Bankwet stelt verplicht dat de president van de Bank maandelijks aan de leden van de raad van commissarissen een opgaaf toestuurt van de stand van de voorschotten aan de Staat. Ook moet toegezonden worden een opgaaf van o.a. de dekking van het gezamenlijk bedrag aan bankbiljetten in omloop. De raad van commissarissen is bevoegd uit eigen beweging de Financiënminister van advies te dienen over zaken die voor de richtlijnen van het te voeren bankbeleid van belang zijn. De Bankwet bepaalt dat van regeringswege toezicht op de handelingen van de Bank uitgeoefend wordt door een regeringscommissaris. De president van de Bank is gehouden de regeringscommissaris telkens op zijn aanvragen al die inlichtingen te verstrekken, welke hij tot een behoorlijke uitoefening van zijn toezicht nodig acht. De regeringscommissaris is verplicht wanneer hij overtreding van voorschriften van de Bankwet constateert, deze terstond ter kennis van de president van de Bank en van de overige commissarissen te brengen. Er worden voor de raadsleden van de Bank geen benoemingsvereisten genoemd, maar raadsleden kunnen in een positie van belangenverstrengeling komen. In de Bankwet staat namelijk dat ieder bedrijf of instelling in Suriname, behorend tot de private sector of tot de publieke sector, verplicht is tot de rapportage van door de Bank gevraagde gegevens en inlichtingen (voor statistische doeleinden). De gegevens en inlichtingen dienen tijdig, naar waarheid en op een correcte wijze te worden gerapporteerd, in de vorm en op de tijden als door de Bank in redelijkheid wordt verlangd. Bij weigering of nalaten de gevraagde gegevens en inlichtingen, te rapporteren, kan de Bank nakoming van de rapportageverplichting in rechte vorderen, op verbeurte van een dwangsom tot zodanig bedrag als de rechter zal goedvinden en bepalen. Het is dus moeilijk om tegelijkertijd lid van de rvc van de bank te zijn en aan de andere kant ook betrokken te zijn in bedrijven.