Beloning van leraren ( deel 3 ; slot )
Een integrale benadering noodzakelijk Alvorens te geraken tot het
ontwerpen van een goed beloningssysteem voor
onderwijsgevenden zullen gerichte en goed georganiseerde
discussies met en tussen deskundigen van meerdere
wetenschapsgebieden moeten plaatsvinden. De opvattingen van
het maatschappelijk middenveld moeten terdege meetellen. De
eerste vraag die hier gesteld moet worden is in welke mate
de ontwerpers van het voorgestelde beloningssysteem zich
hebben ingegraven in de werkelijke problematiek van het
onderwijsgebeuren in Suriname. Welke beeldvorming heeft
hieromtrent plaatsgevonden en welke aspecten zijn in de
ontwerpfase meegenomen om een beloningsbeleid tot
ontwikkeling te kunnen brengen dat ook werkelijk gericht is
op de essentie van het problemencomplex in het
onderwijsveld? Zijn het slechts de salarissen en toelagen
die zo dominant zijn in het onderwijsbeleid? Die worden
thans immers zo benadrukt.Welke aspecten zijn van betekenis
als gesproken wordt over de plaats en betekenis van de
leraar en de lerarenfunctie in de maatschappij?
Wat moet beloond
worden: enkel de praktijk van het lesgeven? Is het in het
beloningsbeleid niet van groot belang dat zowel de
intrinsieke als extrinsieke beloning en motivatie van
leraren centraal in de aandacht staan of volstaan wij met
een beloningsbeleid dat zich eenzijdig richt op de
extrinsieke factoren? Wordt wel voldoende rekening gehouden
met het gegeven dat diplomabezit wel verworven kennis
veronderstelt doch competentie-ontwikkeling een product van
veel praktijkervaring is? En hoe wordt deze opgebouwde
rijkdom voor de ontwikkeling van jongeren geborgen en veilig
gesteld voor de toekomst van het onderwijsproces? Het is
goed hierop aansluitend het volgende naar voren te brengen.
Positieverbetering van een werknemer, dus ook de leraar, is
mogelijk als betrokkene: van functie verandert waardoor
verantwoordelijkheden groter worden; in functie blijft doch
door inzet , toewijding , kennisverwerving en toenemende
competentie geleidelijk aan meer inhoud en gestalte aan
betreffende functie geeft; zekere beleids-en / of
omgevingsontwikkelingen tot een herorientatie omtrent de
plaats en betekenis van de betreffende functie noodzaken.
Ik ben van oordeel dat op dit
moment al deze overwegingen voor het onderwijsveld valide
zijn. Ik draag de overtuiging dat het in de aandacht stellen
van deze (mogelijke) omstandigheden stellig leidt tot een
radicale verandering in het benaderen van het
beloningsvraagstuk voor de onderwijssector. De wijze waarop
tot nog toe met dit vraagstuk door de overheid wordt
omgegaan moet als miskennend en demotiverend worden
gekwalificeerd. Het feit alleen dat over het
beloningsvraagstuk voor een vitale sector reeds jaren op een
richtingloze wijze gesproken wordt, waarbij leerkrachten
smeken om een koersverandering is reeds fnuikend te noemen.
Leerkrachten zijn gebaat bij een duidelijke positionering in
het ontwikkelingsproces van ons land, betrokkenheid bij
besluiten die het onderwijsbeleid en hen regarderen.
Over de hoogte van een
lerarensalaris en de argumenten die hiervoor aangevoerd
worden wordt met het volgende volstaan. Met het oog op de
maatschappelijke status van de leraar kan voor het
vaststellen van het functieloon niet zonder meer een lijn
getrokken worden naar de bureaudienst. De reden hiervoor is
eerder aangegeven. Het is niet onterecht de hoogte van het
functieloon voor de leerkracht te relateren aan andere
maatschappelijke normen. Wij moeten er niet aan voorbij gaan
dat de leerkracht, naast functiehouder en zulks in
tegenstelling tot alle andere beroepsgroepen en categorieen
werknemers, een veelzijdige rol te vervullen heeft. In de
ogen van de gemeenschap is de leerkracht overdrager van
kennis en vaardigheden, begeleider van
ontwikkelingsprocessen bij jongeren, opvoeder/ pedagoog /
andragoog, het complement van ouders en verzorgers,
beoordelaar, examinator, cultuurdrager, rolmodel, drager van
waarden. Bovenal is hij de vakinhoudelijke deskundige en
drager van door praktijkervaring opgebouwde competentie die
niet door louter diplomabezit wordt verworven.
Mede, en juist op grond van
het laatste is de vervangbaarheid van de vakbekwame
leerkracht met gerijpte ervaring steeds een probleem. In de
ontwikkelingsfase van een samenleving die nota bene kampt
met een ernstige kwalitatieve onderbezetting in het
onderwijsveld is behoedzaam doch vooral professioneel omgaan
met het personeelsbeleid in deze sector van niet te
onderschatten belang. Het is stuitend te moeten constateren
dat zowel de huidige President als Vice- President , die
zelf in het onderwijsveld actief geweest zijn toestaan dat
met het belang van deze sector voor onze samenleving een
loopje genomen wordt.
De President heeft
wetenschappelijk onderwijs gevolgd en is zelfs leraar
geweest, de Vice-President heeft vele jaren als directielid
gewerkt op het Minov. Moeten wij aannemen dat deze heren de
problematiek van het onderwijsveld niet in- en overzien?
Moet geaccepteerd worden dat leerkrachten die de kracht tot
het doen leren moeten bezitten gedegradeerd worden tot een
groep waartegen met meewarigheid wordt aangekeken? Is het
geen grote schande dat niets presterende Assembleeleden
thans meer dan SRD. 6000,- maandelijks toucheren (en straks
meer dan SRD.11000,-), doch een leerkracht het met veel
minder dan SRD.1000,- moet doen en onder kommervolle
omstandigheden moet werken? Kijkt u maar hoeveel scholen
door schenkingen en handreikingen van buitenaf overeind
gehouden worden. Schaamt de regeringsleiding zich niet? Kom
nou, overheid, toon wat meer respect voor het lerarenberoep!
Mijn kritiek richt zich ook tot de pleitbezorgers der
leraren.
Waarom gaan zij voort op de
weg die tot een niets zeggende beloningssysteem voor
leerkrachten leidt? Waarom eisen zij als goed geschoolden
niet een professionele benadering van het
onderwijsvraagstuk, met de maatschappelijke, materiele en
niet-materiele beloning als integrerend aspect? Waarom
dringen de leerkrachten niet aan op een verantwoorde studie
van relevante vraagstukken die in een goed beloningsbeleid
aandacht verdienen? Tenminste een workshop met betrokkenheid
van maatschappijwetenschappers zoals pedagogen, andragogen,
bestuurskundigen, organisatiepsychologen, economen,
ontwikkelingssociologen, maatschappelijke instellingen, maar
ook de leerkrachten zelf was op zijn plaats geweest. Thans
wordt voor de beeldvorming volstaan met een simpele
beschrijving van lerarenfuncties door personen die zelf geen
aanwijsbare expertise hebben opgebouwd op het vlak van
functiewaardering in de ruimste betekenis van dit
gecompliceerde begrip. Ik kan mij niet voorstellen dat wij
anno 2008, temidden van turbulente ontwikkelingen in eigen
regio, onophoudelijk voortgaan met armoedige en platonische
benaderingswijzen van serieuze maatschappelijke
vraagstukken. Dit terwijl wij wel over de deskundigheid
beschikken om zelf over onze problemen te praten en te
oordelen.
Maar neen,
buitenlanders weten wel raad met onze problemen, wij
degraderen elkaar tot de onwetenden. Ik adviseer de
lerarenbonden niet langer accoord te gaan met de huidige
wijze van omgaan met het beloningsvraagstuk aangezien elke
vorm van wetenschappelijkheid daarbij thans ontbreekt. Laat
het niet zo zijn dat een beloningssysteem voor uitsluitend
salarisvaststelling wordt doorgevoerd. Problemen zullen
onopgelost blijven omdat het beloningssysteem niet als
strategisch instrument is ontwikkeld. Het ontworpen model
dat niet eens een handleiding en inpassingscenario’s bevat
is voor beleidsontwikkeling niet valide. HRM staat niet
slechts voor Human Resource Management maar ook voor Hoog
Rendement Management.
Bij overname Bron vermelding verplicht
/ Dagblad Suriname.
Om deze website te bekijken heeft u
Macromedia Flash player
7.0 of hoger nodig.
Indien uw browser geen scripting support, gelieve de
Java
software te downloaden.