|
Bijgewerkt op: 11/03/08,
Ontwikkelingssamenwerking nog steeds niet begrepen
Paramaribo - Minister Waterberg heeft zich
afgelopen week zeer terecht kritisch uitgedrukt over de
zogenaamde hervormingen in de Volksgezondheid. Jaren zijn er
USD’s door de Surinaamse riool gespoeld zonder zichtbare
resultaten voor de samenleving. “Geef mij een hengel om te
vissen in plaats vis te eten als ik honger heb” zegt de
minister van Volksgezondheid. Wat wij nodig hebben is
capaciteitsopbouw voor het ministerie van Volksgezondheid.
Het antwoord van de donor is vast wel dat Suriname niet
heeft geblonken in het ownership (eigenaarschap) van de
hervormingen in de sector volksgezondheid. Wij zien nu
nieuwe begrippen dan wel instrumenten die niet goed worden
begrepen in ons land. Deze zijn: capaciteitsopbouw,
empowerment, institutionele versterking en ownership.
Capaciteitsopbouw richt zich op versterking en
verbetering van capaciteiten en mogelijkheden op zowel het
individuele, organisatorische als institutionele niveau.
Capaciteitsopbouw gaat niet alleen om het vergroten van
vaardigheden en verbeteren van procedures, maar ook om het
veranderen van motivatie- en beloningsstructuren.
Ontwikkelingsrelaties gaan donoren nu aan met overheden van
partnerlanden en dat resulteert vaak in een focus op
organisatieversterking van overheidsdiensten.
Capaciteitsopbouw beperkt zich echter niet tot steun aan
overheidsdiensten, maar bevat ook steun aan het
maatschappelijk middenveld en aan de dialoog en samenwerking
tussen verschillende ontwikkelingspartners.
Het werkwoord ‘to empower’ betekent: ‘in staat stellen’. Het
heeft alles te maken met kracht en met macht. Dat is ook de
essentie van het begrip. De armste groepen in
ontwikkelingslanden - en vrouwen zijn daarbij in de
meerderheid - moeten meer zeggenschap krijgen over hun eigen
situatie om aan de armoede te kunnen ontsnappen. Uit
onderzoek blijkt dat de armste groepen in veel landen weinig
vertrouwen hebben in staatsinstanties, ambtenaren en
politici. Een betrouwbare overheid, niet corrupt, die hen
niet achterstelt, zien veel van de armsten als een gouden
sleutel voor een betere toekomst. Ook de Wereldbank is nu
doordrongen van het belang van empowerment. In het verleden
ging de bank er te zeer van uit dat economische groei als
vanzelf ook tot verbetering onder de armste groepen zou
leiden. In het World Development Report 2000 brak de
Wereldbank met dit gedachtegoed. Armoede heeft ook te maken
met politieke, sociale en culturele factoren.
Empowerment vergroten kan op veel manieren aangepakt worden.
Van groot belang is vaak dat de rechtspositie verbetert.
Maar ook scholing en steun bij het vormen van
belangenorganisaties zijn een vorm van empowerment. Veel van
dergelijke initiatieven steunt Nederland via de
medefinancieringsorganisaties. Institutionele ontwikkeling
heeft betrekking op ondersteuning van instituties.
Instituties zijn de regels, structuren en sociale normen die
het menselijk handelen bepalen. Ze worden ook wel aangeduid
als de 'spelregels' van de samenleving waarbinnen de spelers
(organisaties) hun werk verrichten. Ze zijn formeel –
bijvoorbeeld wetgeving en het parlement – of informeel –
bijvoorbeeld gedragsregels en sociale netwerken. Instituties
spelen een centrale rol bij armoedebestrijding. Zij kunnen
een positieve bijdrage leveren aan armoedevermindering, maar
zij kunnen armoedevermindering ook in de weg staan. Veel van
de bestaande instituties in ontwikkelingslanden zijn
gecreëerd of worden in stand gehouden door het rijke,
machtige deel van de bevolking en benadelen de armen.
Zonder institutionele hervorming hebben programma’s voor
armoedebestrijding weinig zin. In ontwikkelingslanden zijn
informele instituties vaak invloedrijker dan de formele
instituties. Donoren ondersteunen initiatieven die erop
gericht zijn zwakke instituties te versterken en beter
gebruik te maken van bestaande instituties die een bijdrage
kunnen leveren aan armoedebestrijding. De wensen en ideeën
van de hulpontvanger moeten centraal staan in de
ontwikkelingsrelatie. De praktijk heeft uitgewezen dat van
buitenaf opgelegde beleidsadviezen niet werken. Donoren
ontwikkelen geen landen, maar landen ontwikkelen zichzelf.
Betrokkenheid van regering, parlement en maatschappelijke
organisaties bij het bepalen en uitvoeren van het
armoedebeleid is van het grootste belang. In het verleden
werd de inhoud van de ontwikkelingssamenwerking veelal
bepaald door de donoren.
Zij beschikten over het geld en meenden te weten wat goed voor
de ontwikkelingslanden was. De laatste jaren is uit
verschillende onderzoeken en evaluaties gebleken dat een
dergelijke invalshoek weinig oplevert. Internationaal
bestaat inmiddels grote consensus over het feit dat
ownership in plaats van donorship – de vraag van de
ontwikkelingslanden in plaats van het aanbod van de donoren
–centraal moet staan in de ontwikkelingsrelatie. Ownership
betekent voor de donor dat de overheid van het ontvangende
land – en niet de donoren - de beleidskaders, de
prioriteiten en de plannen van aanpak bepaalt. De donor
bepleit dat de overheid zich daarbij baseert op intensieve
consultaties met de bevolking.
Ook de civil society dient een actieve inbreng te hebben.
Overleg met maatschappelijke organisaties, particuliere
sector, parlement (inclusief oppositie), deskundigen,
onderzoekers, vakbonden en andere sleutelinstellingen moet
onderdeel zijn van de formulering en uitvoering van het
beleid. Ownership moet echter niet verward worden met
absolute eenzijdige zeggenschap over het geld dat donoren
overdragen. Ownership zal in de praktijk partnership zijn:
een partner is meer dan een adviseur, een partner is iemand
die zich op samenwerking richt. Een relatie tussen partners
is op vertrouwen gebaseerd. Partnership is vooral ook
wederzijdse betrouwbaarheid.
|