Nationaal
>
Vervolging verwerpt exceptie advocaten in 8
decemberstrafzaak
Geplaatst:
29/01/2008
Paramaribo - De
auditeur-militair, mr. John Mohamedamin, heeft gisteren de excepties
die zijn opgeworpen op de zitting van 17 december 2007 door de
advocaten van verdachten in de 8 decemberstrafzaak, verworpen. De
excepties betroffen niet ontvankelijkheid van het OM en de
geldigheid van de dagvaarding. De auditeur-militair heeft gisteren
uitgebreid en gemotiveerd geantwoord op de verschillende excepties.
Mr. Irvin Kanhai, de raadsman van o.a. Desi Bouterse, die afwezig
was vanwege de uitvaartdienst van zijn vader, wierp op de zitting
van 17 december op dat het OM niet ontvankelijk moest worden
verklaard in zijn vordering en wel op grond van de volgende
argumenten.
Het
Hof van Justitie zou bij het geven van de opdracht aan de
procureur-generaal in het jaar 2000 om over te gaan tot vervolging,
voorbij gegaan zijn aan het algemeen belang. In de gemeenschap zou
namelijk geen behoefte zijn aan strafrechtelijke vervolging, doch
wel aan de instelling van een waarheidscommissie. Verder stelde de
advocaat dat het OM zijn positie jarenlang prijs zou hebben gegeven
door de feiten die in december 1982 zijn begaan, ruim 17 jaar
‘onvervolgd’ te laten. Het OM zou kennelijk op instigatie van derden
en onder politieke druk uiteindelijk overgegaan zijn tot vervolging.
Ook
stelde hij dat de regering zich indertijd ongeoorloofd gemengd zou
hebben in de vervolging. De toenmalige minister van Justitie en
Politie zou er namelijk toe overgegaan zijn een regeringsadviseur
aan te stellen, die verschillende vervolgingsgerelateerde
activiteiten heeft verricht, waaronder het aanzoeken van getuigen in
het buitenland.De raadsman stelde voorts dat de aanwijzing van
verdachten in november 2000 door het OM zou zijn geschied op basis
van willekeur, en niet op grond van bekende feiten en
omstandigheden, zoals voorgeschreven door artikel 19 van het Wetboek
van Strafvordering.
Heel interessant was de stelling van de advocaat dat de verjaring
van bepaalde deelnemingshandelingen met name uitlokking en
medeplichtigheid, niet effectief zou zijn gestuit.
Hij motiveerde dit door aan te geven dat
uitlokkinghandelingen namelijk plaatsvinden vóór het delict, in dit
geval moord, waardoor deze dan ook voor het gronddelict verjaren.
Toen de verjaring van het delict “moord” in november 2000 werd
gestuit door de instelling en betekening van een daad van vervolging
(instelling en betekening van het gerechtelijk vooronderzoek), zou
de uitlokking van het feit, volgens deze stelling reeds verjaard
zijn. Tot slot vroeg Kanhai zich af of verdachten een eerlijk proces
ten deel zullen vallen, aangezien de publieke opinie in de afgelopen
jaren negatief beïnvloed zou zijn door o.a. bepaalde segmenten van
de media.
Al deze excepties zijn gisteren in de zaak van Bouterse, Iwan
Krolis, Benny Brondenstein, Imro Themen, Errol Alibux, Iwan
Dijksteel, Ernst Gefferie, allen cliënten van Kanhai, verworpen door
het OM.
De stelling van Kanhai dat het uitlokken
tot moord op vijftien vooraanstaande burgers is verjaard, blijkt dus
geen stand te houden. Ook is de vervolging van oordeel dat het
stuiten van de verjaring formeel niet te laat heeft plaatsgevonden.
Ten aanzien van de geldigheid van de dagvaardingen, werd door de
raadslieden Kanhai en evenzo ook mr. John Kraag (raadsman van de
verdachten Arthy Gorre en Dick de Bie) en mr. Kathleen Brandon
(raadsvrouwe van de verdachte Stephanus Dendoe) opgeworpen dat de in
de dagvaardingen opgenomen tenlasteleggingen, niet voldoen aan de
eisen welke door de wet worden gesteld.
Beargumenteerd werd dat de
tenlasteleggingen onvoldoende feitelijk zijn, alsook innerlijk
tegenstrijdig. Als gevolg hiervan was het volgens de raadslieden
voor hun cliënten niet duidelijk welke feitelijke handelingen hen
ten laste zijn gelegd, waardoor zij zich dan ook niet adequaat
hebben kunnen voorbereiden op hun verdediging.
Tevens werd door één der raadslieden aangehaald dat indien – zoals
gesteld in artikel 238 van het Wetboek van Strafvordering - een
dagvaarding vooraf is gegaan door een kennisgeving van verdere
vervolging, het in de dagvaarding omschreven ten laste gelegde feit
overeen dient te stemmen met het in de kennisgeving van verdere
vervolging omschreven feit. Ook deze excepties zijn gisteren
verworpen door de vervolging.
De president van de Krijgsraad, mr. Cynthia Valstein-Montnor, heeft
gisteren de raadslieden Kanhai, Kraag, Brandon en Rogers gevraagd om
hun repliek op schrift uiterlijk 15 februari 2008 te doen toekomen
aan het OM, zodat op de zitting van 29 februari het dupliek kan
plaatsvinden. Aan de auditeur-militair vroeg de president om de
afwezige verdachten opnieuw te dagvaarden voor de zitting van 29
februari.
Widjai Ganesh
▲
Boven