Nationaal
>
De baas van de president
Geplaatst:
18/02/2008
Paramaribo - In
zijn series over de Tweede Wereldoorlog getiteld “Their Finest Hour”
zegt Winston Churchill dat in ieder hiërarchisch veld waar acties
ondernomen worden, er geen vergelijking mogelijk is tussen de
posities van de nummer één en die van de nummer twee, drie of vier
in die hiërarchie. Zo zijn de plichten en problemen van alle
personen binnen die hiërarchie nogal verschillend van elkaar. Als
bijvoorbeeld de nummer twee ( of drie of vier) belangrijke
initiatieven neemt, dient hij rekening te houden met de denkwijze
van degene(n) boven hem , terwijl hij ook moet nagaan of het wel
passend voor hem is om dergelijke initiatieven te ontplooien.
Met uitzondering van de nummer één positie, is er geen ontkomen aan
dat een ieder binnen een overheid altijd een hiërarchie van bazen
boven zich heeft. Een minister zal constant rekening moeten houden
met zijn krediet bij de president, een directeur met zijn krediet
bij de minister, de onderdirecteur bij zijn directeur en zo verder.
Heeft de president, de nummer één in ons land, een baas boven zich
en wie zou die zijn? Enkele weken geleden heeft de president zelf
een antwoord gegeven. Op vragen van de pers of het presidentschap
van het land en het voorzitterschap van een politieke partij wel met
elkaar te verenigen zijn, schijnt de president geantwoord te hebben
“dat hij juist daarmee wil voorkòmen een speelbal te worden van één
of andere partijvoorzitter”. Als dit het antwoord van de president
is geweest, dan is het in wezen een erkenning dat boven het
instituut van het presidentschap in Suriname een syndicaat bestaat
van voorzitters van de coalitiepartijen, dat de echte baas is in het
land. Volgens de president behoedt het lidmaatschap van dit
syndicaat hem ervan een speelbal, dat wil zeggen, een willoos,
weerloos slachtoffer te worden van de andere syndicaatsleden.
Het antwoord van de president is noch onthullend noch onthutsend,
want al enkele jaren bepaalt in Suriname het syndicaat van
voorzitters van de coalitiepartijen wat in het land gebeurt,
waaronder het “terugfluiten” van de president. Alle beslissingen
inzake het openbaar bestuur in Suriname worden eveneens genomen door
dit syndicaat, waarvan de leden zelf de krijtlijnen hebben getrokken
waarbinnen zij macht en invloed kunnen en mogen uitoefenen,
namelijk, alleen binnen de eigen keuken.
Als contrast is het goed te kijken hoe bij gelijke situaties in het
buitenland de nummer één omgaat met zijn positie. Van 1999 tot 2004
was Atal Bihari Vajpayee, premier van India, die leiding gaf aan een
coalitie van 21(éénentwintig) partijen. Premier Vajpayee was zelf
geen voorzitter van één der partijen, maar heeft zich nimmer laten
behandelen als een speelbal van de 21 partijvoorzitters. Tijdens
zijn premierschap veranderde hij ruim vijf keer zijn kabinet,
waarbij zwak presterende ministers gewoon werden vervangen. Zelfs de
voorzitter van de belangrijke Trinamool Congres Partij, Kumari
Mamata Banerjee, werd in maart 2001 als minister van het belangrijke
ministerie van Spoorwegen resoluut eruit gezet. Ook nu heeft India
een coalitieregering van 14 (veertien) partijen onder leiding van
een premier, die zelf geen voorzitter is van één van die partijen,
maar zich geen speelbal voelt en zich ook niet zo laat behandelen.
Het speelbalelement is niet van nature verbonden aan de positie van
de leider van een coalitieregering, het is een eigen visie en eigen
keuze van de nummer één.
▲
Boven